RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken
Breda
verlenging schuldsanering
insolventienummer: C/02/25/278 R
uitspraakdatum: 8 september 2026
inzake:
[schuldenares] ,
geboren op [geboortedag] -1993 te [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bewindvoerder: [bewindvoerder] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van deze rechtbank van 24 november 2025, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken;
- het eindverslag van de bewindvoerder van 31 juli 2026;
- de laatste stand van zaken in Toezicht van 28 augustus 2026;
- het proces-verbaal van de eindzitting van 7 september 2026.
Ter zitting zijn de bewindvoerder en schuldenares gehoord.
2 Het geding
Dit strekt tot beoordeling of aan schuldenares een schone lei kan worden verleend.
3 De beoordeling
Door de bewindvoerder is op 31 juli 2026 een schriftelijk verslag aan de rechter-commissaris uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. In haar verslag heeft de bewindvoerder bericht dat schuldenares vanaf november 2025 tot en met februari 2026, 4 maanden, geen bewijsstukken heeft verstrekt dat zij zich voldoende heeft ingespannen voor de nakoming van de sollicitatieverplichting. Uit de laatste stand van zaken is gebleken dat er tevens een nieuwe schuld is ontstaan van € 64,81, welke schuld door de bewindvoerder vooralsnog niet bovenmatig wordt geacht.
Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat de nieuwe schuld alsnog is voldaan. Voorts heeft zij aangevoerd dat schuldenares in februari 2026 contact met haar heeft opgenomen, nadat schuldenares hulp had gezocht bij een maatschappelijk werkster. Schuldenares is per maart 2026 alsnog gaan solliciteren, aldus de bewindvoerder. De bewindvoerder acht dan ook het niet nakomen van de sollicitatieverplichting van geringe betekenis.
Schuldenares heeft ter zitting aangevoerd dat zij in december 2025 hulp heeft gezocht bij een maatschappelijk werkster, dat zij de bewindvoerder hierover heeft ingelicht en dat zij in maart 2026 is gaan solliciteren. Schuldenares heeft ter zitting ingestemd met een eventuele verlenging van de regeling.
De rechtbank dient bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, op de voet van artikel 354 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) vast te stellen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
Met hetgeen door de bewindvoerder is aangevoerd en door schuldenares is erkend staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat schuldenares geen bewijsstukken van sollicitaties heeft opgestuurd gedurende 4 maanden en derhalve is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de tekortkoming in de inspanningsverplichting niet aan schuldenares kan worden toegerekend. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat deze tekortkoming van bijzondere aard of geringe betekenis is. Daarbij is het volgende van belang. De inspanningsverplichting is een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling. De eerdere ingangsdatum van de regeling is vastgesteld op 24 maart 2025, 8 maanden eerder. Schuldenares diende dus nog gedurende 10 maanden de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling na te komen. Zij heeft 4 van de 10 maanden niet aangetoond dat zij zich heeft ingespannen om te solliciteren.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank de schone lei vooralsnog niet worden verleend. Het huisbezoek heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden, waardoor schuldenares in mindere mate kan worden verweten dat zij over november 2025 geen sollicitatiebewijzen heeft opgestuurd. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de regeling van schuldenares te verlengen met 3 maanden, derhalve tot 24 december 2026.
4 De beslissing
De rechtbank
stelt de termijn, gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, vast op maximaal 21 maanden, te rekenen vanaf de ingangsdatum van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve tot 24 december 2026;
bepaalt dat alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling van toepassing blijven.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.1