RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2700
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft op 23 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] .
Belanghebbende heeft op 2 januari 2025 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld, wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Op 28 februari 2025 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking. De heffingsambtenaar heeft op 28 februari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en belanghebbende bericht dat hij recht heeft op een dwangsom van € 23,-.
Belanghebbende heeft op 23 mei 2025 de heffingsambtenaar laten weten dat de dwangsom volgens hem € 1.442,- moet bedragen. Belanghebbende heeft op 2 juni 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking. Op 9 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar de dwangsom opnieuw berekend en vastgesteld op € 1.442,-.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.1 Dit geldt ook voor het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking.2
Is het beroep wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking ontvankelijk?
3. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar met de e-mail van 28 februari 2025 heeft gereageerd op de ingebrekestelling wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking en de dwangsom heeft vastgesteld op € 23,-. De rechtbank is van oordeel dat deze e-mail een dwangsombeschikking is als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. Van een beroep wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking is dan ook geen sprake. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De rechtbank merkt overigens op dat de e-mail van belanghebbende van 23 mei 2025 (mogelijk) kan worden aangemerkt als (te laat) bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Hierop is met de e-mail van 9 juli 2025 beslist. Belanghebbende heeft tegen die beslissing geen gronden aangevoerd. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende het eens is met deze beslissing.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking op het moment van indiening al niet-ontvankelijk was. Het beroep wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Er bestaat daarom geen recht op een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.