RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/822
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar ongegrond is verklaard. Dit bezwaar richtte zich tegen de (primaire) besluiten van 28 augustus 2025 en 7 oktober 2025, waarin zijn bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 is ingetrokken en een bedrag van € 17.710,73 aan te veel betaalde bijstand is teruggevorderd. Eiser is het niet eens met de intrekking en terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 8 januari 2026 (het bestreden besluit).
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.J.A. van Roessel als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en mr. N.C.J.P. Melsem namens het college.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Op 19 juni 2025 heeft het college van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant informatie ontvangen dat eiser wordt verdacht van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Dit vormde aanleiding voor het college om nader onderzoek in te stellen. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 augustus 2025.
Met het besluit van 28 augustus 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 ingetrokken (primair besluit I). Met het besluit van 7 oktober 2025 heeft het college het te veel aan verleende bijstand (€ 17.710,73) teruggevorderd (primair besluit II), omdat eiser heeft nagelaten om (tijdig) alle benodigde gegevens te verstrekken waardoor hij de inlichtingenplicht heeft geschonden.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen (onder andere) deze besluiten.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser deels niet ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voor zover daarin de bezwaren tegen primair besluit I en primair besluit II ongegrond zijn verklaard.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de informatie die van de politie is ontvangen met betrekking tot het whatsapp-verkeer van de telefoon van eiser voldoende grondslag bieden voor de bestuursrechtelijke intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering. De informatie geeft voldoende aanwijzingen dat in eiser in 2024 in alle maanden in drugs heeft gehandeld. Dat in het strafrechtelijk onderzoek het Openbaar Ministerie de zaak tegen eiser (voorwaardelijk) heeft geseponeerd, betekent niet dat er geen gevolgen kunnen zijn voor de bijstandsuitkering van eiser. Dat het college de woning van eiser niet heeft gesloten, is in dit verband niet relevant omdat daar andere feiten aan ten grondslag moeten liggen.
Daarnaast stelt het college dat het recht op bijstand niet meer valt vast te stellen, omdat eiser geen concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over zijn handelsactiviteiten en de daaruit ontvangen inkomsten. Evenmin heeft eiser een administratie bijgehouden. Dat uit de bankafschriften van eiser geen bijzonderheden blijken, betekent niet dat eiser geen inkomsten heeft gehad. Gegeven de betrokkenheid van eiser bij de handel in verdovende middelen zoals die uit het whatsapp-verkeer is gebleken, en de bedragen die in deze handel omgaan, gaat het college ervan uit dat eiser middelen in de zin van de Participatie heeft ontvangen. Verder stelt het college dat het verplicht is om de te veel verstrekte bijstand terug te vorderen als sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. Ten slotte is van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet gebleken.
Beroepsgronden
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, omdat hij zich nooit heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen en daar ook geen geld aan heeft verdiend. De politie heeft een strafrechtelijk onderzoek verricht in het kader van een gelijksoortige verdenking en het Openbaar Ministerie heeft besloten om de zaak te seponeren. Eiser is dan ook nooit veroordeeld voor het handelen in verdovende middelen. Daarnaast heeft het college zelf afgezien van het sluiten van de woning van eiser, omdat niet kon worden vastgesteld dat vanuit de woning van eiser werd gehandeld in verdovende middelen. Ten aanzien van de whatsapp-gesprekken heeft eiser een verklaring gegeven. Volgens eiser waren dit slechts gesprekken tussen vrienden onderling. Eiser stelt dat er geen administratie bestaat omdat de gestelde handel in verdovende middelen nooit heeft plaatsgevonden. Daarnaast acht eiser het volledig terugvorderen van de uitkering over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 onevenredig en disproportioneel. Eiser is van mening dat aan de hand van de whatsapp-gesprekken het recht op bijstand schattenderwijs had kunnen worden vastgesteld.
Oordeel van de rechtbank
6. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank de vraag voor of het college terecht is overgegaan tot het intrekken en terugvorderen van eisers bijstandsuitkering over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 (te beoordelen periode).
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.
Schending inlichtingenplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat het proces-verbaal zoals omschreven in het rapport van 14 augustus 2025 een toereikende grondslag vormt voor het standpunt dat eiser in de te beoordelen periode heeft gehandeld in drugs. Daaruit blijkt dat sprake was van een omvangrijke hoeveelheid whatsapp-berichten, waarbij vanaf verschillende bekende en onbekende telefoonnummers contact met eiser werd opgenomen. In die berichten wordt concreet gevraagd naar c.q. gesproken over verschillende soorten verdovende middelen, met vermelding van bedragen, en worden afspraken gemaakt over locaties waar partijen elkaar zouden ontmoeten. De inhoud, omvang en concreetheid van deze berichten passen naar het oordeel van de rechtbank niet bij de verklaring van eiser dat hij niet in drugs heeft gehandeld en dat er sprake zou zijn van ‘praat onder vrienden’. De rechtbank betrekt daarbij dat uit het rapport blijkt dat er contact is opgenomen met de politie. De politie heeft bevestigd dat naast het uitlezen van de whatsapp-gesprekken ook is waargenomen dat eiser handelde in verdovende middelen. Bovendien zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten waarom niet van het proces-verbaal zou kunnen worden uitgegaan.
Voor zover eiser heeft gesteld dat hij ten tijde van het bestreden besluit niet is veroordeeld voor de handel in drugs, overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de bestuursrechter in de vaststelling van het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden is aan wat in strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.1 Het gaat erom dat voor eiser redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de genoemde activiteiten (handel in drugs) van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. De rechtbank ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het voor eiser redelijkerwijs niet duidelijk is geweest dat de betrokken activiteiten van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.
Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat eiser zich in de te beoordelen periode heeft beziggehouden met de verkoop van drugs. Gegeven eisers betrokkenheid bij de handel in drugs en de bedragen die daarbij omgaan, mag ervan worden uitgegaan dat eiser geld heeft ontvangen. Dit is van belang voor eisers recht op bijstand. Daarom dient van de door eiser ondernomen activiteiten opgave te worden gedaan aan het college. Door dit na te laten heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden.
De beroepsgrond van eiser dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht slaagt dus niet.
Recht op bijstand
8. Eiser is naar het oordeel van de rechtbank er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand had. Eiser heeft geen gegevens over de betreffende periode overgelegd waaruit volgt dat hij nog wel recht op bijstand zou hebben gehad. De rechtbank stelt vast dat er berichten zijn geweest in alle maanden van het hele jaar 2024, terwijl eiser geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden. Door na te laten de nodige duidelijkheid te verschaffen, heeft eiser een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand in de te beoordelen periode, geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Het college was dan ook bevoegd om de bijstand van eiser over de (volledige) te beoordelen periode in te trekken.
De beroepsgrond dat het college de uitkering niet volledig had mogen terugvorderen (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is: intrekken) slaagt dus niet.
Terugvordering
9. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen indien de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht.
Op grond van artikel 58, achtste lid, Participatiewet kan het college geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 9.1 Op grond van artikel 58, achtste lid, Participatiewet kan het college geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Zoals de CRvB in vier uitspraken van 10 december 20242 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. In dit geval heeft het college, mede gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen dringende redenen aanwezig hoeven achten om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. In dat verband is allereerst van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college maar door schending van de inlichtingenverplichting door eiser. Bovendien heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd die wijzen op dringende redenen, en heeft zijn financiële situatie op geen enkele wijze met stukken onderbouwd.
Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, slaagt deze beroepsgrond dus niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 29 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste en achtste lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.