RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11900621 \ CV EXPL 25-3399
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
1 [bedrijf 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,2. [bedrijf 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. E.W. Lassche,
tegen
1 [persoon 1] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
gemachtigde: mr. I.P. de Groot,2. [persoon 2],
te [plaats 2] ,
niet verschenen,3. [persoon 3],
te [plaats 3] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 september 2025 met producties 1 t/m 9;- de conclusie van antwoord van [persoon 1] met producties 1 t/m 11;- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties 10 t/m 13, tevens houdende vermindering van eis van [bedrijf 1] en [schip] ;
- de akte overlegging productie 14 van [bedrijf 1] en [schip] ;
- de akte overlegging producties 15 en 16 van [bedrijf 1] en [schip] ;
- de akte overlegging producties 12 t/m 16 van [persoon 1] ;
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. Lassche;
- de spreekaantekeningen van mr. De Groot.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[persoon 1] is bestuurder van [bedrijf 3] B.V., die op haar beurt weer bestuurder is van [bedrijf 4] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] houdt zich met name bezig met het installeren van elektrische scheepsinstallaties en het uitvoeren van reparaties aan dergelijke installaties.
[bedrijf 1] en [schip] exploiteren een binnenvaartschip genaamd ‘ [schip] ’ (hierna te noemen: het schip). [bedrijf 1] en [schip] worden beide bestuurd door de heer [persoon 4] (hierna te noemen: [persoon 4] ).
[bedrijf 4] heeft in opdracht van [persoon 4] werkzaamheden uitgevoerd aan het schip. [persoon 4] heeft deze werkzaamheden in eerste instantie niet (volledig) betaald.
Daarop hebben gedaagden op 31 januari 2024 apparatuur uit de stuurhut van het schip verwijderd en meegenomen.
[persoon 4] was ten tijde van dit incident aanwezig op het schip. Hij heeft diezelfde dag aangifte gedaan van diefstal.
In de dagen daarna hebben [persoon 1] en [persoon 4] geprobeerd een regeling te treffen voor zowel de apparatuur als de betalingsachterstand.
[schip] heeft het schip in de middag van 2 februari 2024 door [bedrijf 5] uit [plaats 4] (hierna te noemen: [bedrijf 5] ) van Terneuzen naar Antwerpen laten verslepen.
De apparatuur is diezelfde avond teruggegeven in Terneuzen, waarna [bedrijf 5] deze in opdracht van [schip] naar Antwerpen heeft getransporteerd. Daar is de apparatuur weer in het schip gemonteerd. Daarna is het schip naar zijn eindbestemming in Weert gevaren.
3 Het geschil
[bedrijf 1] en [schip] vorderen – samengevat en na vermindering van eis – dat gedaagden bij uitvoerbaar te verklaren vonnis hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:
I. een bedrag van € 7.127,34 aan [bedrijf 1] als vergoeding voor de volgende schadeposten:
a. de nieuw aan te schaffen en te installeren radar monitor: € 3.566,05 exclusief btw;
b. kosten voor het onderzoek aan de beeldrecorder en het in bedrijf stellen daarvan: € 165,00 exclusief btw;
c. kosten voor een tweede onderzoek aan de beeldrecorder en de vervanging daarvan: € 1.578,29 exclusief btw;
d. het nieuw aan te schaffen en te installeren beeldscherm voor de digitale vaarkaart: € 1.818,00 exclusief btw;
II. een bedrag van € 4.212,00 aan [schip] als vergoeding voor de volgende schadeposten:
e. sleep- en transportkosten: € 2.850,00 en € 150,00 exclusief btw;
f. overliggeld: € 1.212,00 exclusief btw;
III. de wettelijke rente over de onder I. en II. genoemde bedragen vanaf 31 januari 2024;
IV. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
[bedrijf 1] en [schip] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Gedaagden hebben inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf 1] en het exclusief gebruiksrecht van [schip] door de apparatuur van het schip te verwijderen en mee te nemen. Dit levert een onrechtmatige handeling op, waardoor schade is ontstaan. Gedaagden dienen die schade te vergoeden. Nu de onrechtmatige gedraging in groepsverband is verricht, zijn alle gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.
[persoon 1] erkent dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door apparatuur van het schip te verwijderen en mee te nemen, maar hij betwist dat [bedrijf 1] en [schip] hierdoor schade hebben geleden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagden
Gedaagden sub 2 en 3 zijn, hoewel behoorlijk gedagvaard met inachtneming van de voorgeschreven termijn en formaliteiten, niet ter terechtzitting verschenen en hebben ook anderszins niet gereageerd of om uitstel verzocht. Daarop is tegen deze gedaagden verstek verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 Rv geldt dit vonnis niettemin als een vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagden.
niet-ontvankelijkheid van [schip]
[persoon 1] heeft in eerste instantie ook een processueel verweer gevoerd, namelijk dat [schip] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering wegens de onjuiste aanduiding van haar partijnaam in de dagvaarding. Op de mondelinge behandeling heeft [persoon 1] medegedeeld dat hij dit verweer niet langer handhaaft. De kantonrechter zal dit verweer daarom niet inhoudelijk bespreken.
onrechtmatige daad
[persoon 1] heeft zijn aandeel in het incident van 31 januari 2024 erkend en gedaagden sub 2 en 3 hebben hun aandeel daarin niet weersproken. Met hun handelen hebben zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf 1] en het exclusieve gebruiksrecht van [schip] . Dit levert een onrechtmatige gedraging op in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Die gedraging kan aan gedaagden worden toegerekend. In zoverre wordt aan de vereisten voor een onrechtmatige daad voldaan.
Daarnaast moet echter worden beoordeeld of [bedrijf 1] en [schip] de gestelde schade daadwerkelijk hebben geleden en of dit ook zou zijn gebeurd als het incident op 31 januari 2024 niet had plaatsgevonden. Verder is van belang of [bedrijf 1] en [schip] eigen schuld hebben aan (het ontstaan van) de schade.
beoordeling van de schadeposten
Hierna zal het voorgaande voor iedere schadepost afzonderlijk worden besproken.
a. de radar monitor
[persoon 1] betwist het standpunt van [bedrijf 1] dat gedaagden de radar monitor hebben verwijderd en dat deze zodanig beschadigd is dat er een vertekening is ontstaan in het beeldscherm. De prijsopgave voor de nieuwe radar monitor dateert van 28 juli 2025, terwijl het incident heeft plaatsgevonden op 31 januari 2024. Al die tijd is [bedrijf 1] met de radar monitor blijven varen. Hieruit concludeert [persoon 1] dat deze goed functioneert en dus niet vervangen hoeft te worden.
De kantonrechter stelt op basis van de overgelegde foto’s vast dat er een kras aanwezig is in het beeldscherm van de radar monitor. Het is de vraag hoe en wanneer deze kras precies is ontstaan.
Het staat als zijnde onweersproken vast dat gedaagden de beeldrecorder van het schip hebben meegenomen (waarover later meer). [bedrijf 1] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat deze niet kan worden verwijderd zonder ook de voorliggende radar monitor te demonteren. [persoon 1] heeft daarop zijn standpunt herhaald dat hij de radar monitor niet heeft aangeraakt. Hij heeft de nadere toelichting van [bedrijf 1] – dat die beeldrecorder alleen maar kan worden verwijderd als de radar monitor is verwijderd – echter niet weersproken. Evenmin heeft hij verklaard hoe het dan toch mogelijk is dat gedaagden de beeldrecorder hebben meegenomen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat gedaagden de radar monitor wel degelijk hebben verwijderd, omdat ze anders de beeldrecorder niet hadden kunnen meenemen (hetgeen wel is gebeurd).
Van de beschadiging aan het beeldscherm van de radar monitor wordt geen melding gemaakt in het proces-verbaal van de aangifte van [persoon 4] van 31 januari 2024. [persoon 4] heeft hierover ter zitting verklaard dat de vertekening in het beeldscherm hem pas is opgevallen toen hij ‘s nachts naar Weert aan het varen was. Dit is een plausibel verhaal, omdat het schip in de tussentijd heeft stilgelegen of is versleept. [persoon 4] heeft de beschadiging bij e-mail van 4 februari 2024 om 19:39 uur alsnog gemeld bij de politie. Gelet op de feiten en omstandigheden van het geval is het onaannemelijk dat de schade in de korte periode tussen 31 januari 2024 en 4 februari 2024 door een andere oorzaak dan het incident is ontstaan. Op grond hiervan stelt de kantonrechter het causaal verband tussen de beschadiging en het incident vast.
[bedrijf 1] kan de beschadigde radar monitor tot op heden nog steeds gebruiken. Dit sluit echter niet uit dat zij schade heeft geleden of zal lijden als gevolg van het incident. Ter zitting heeft [bedrijf 1] de situatie vergeleken met een barst in een autoruit: het is een kwestie van afwachten tot het beeldscherm het alsnog begeeft. Het is volgens haar ook niet mogelijk om alleen het beeldscherm te vervangen in plaats van de volledige radar monitor, omdat de achterliggende techniek dat niet toelaat. Gedaagden hebben het voorgaande niet weersproken, zodat van de juistheid van deze stellingen zal worden uitgegaan.
Door [persoon 1] is terecht aangevoerd dat bij het vaststellen van de schade rekening moet worden gehouden met de aftrek ‘nieuw voor oud’. Het uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is namelijk dat [bedrijf 1] door middel van het toekennen van een vergoeding in de situatie wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Omdat de radar monitor niet nieuw was, en [bedrijf 1] na vervanging wel een nieuwe radar monitor krijgt, kan de gevorderde vergoeding op grond van het voorgaande niet in zijn geheel worden toegewezen.
Enig aanknopingspunt voor wat betreft de toe te passen aftrek ‘nieuw voor oud’ ontbreekt. Geen van partijen heeft bijvoorbeeld iets gezegd over de leeftijd van de beschadigde radar monitor en de gemiddelde levensduur van dit apparaat. De kantonrechter zal de schade overeenkomstig artikel 6:97 BW schatten op 50%. Gedaagden moeten voor de radar monitor dus een vergoeding betalen van € 1.783,03 exclusief btw.
b en c. de beeldrecorder
[persoon 1] heeft weersproken en [bedrijf 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat de beeldrecorder als gevolg van het incident op 31 januari 2024 is beschadigd. [persoon 1] heeft de beeldrecorder naar eigen zeggen keurig verpakt en onbeschadigd aan [bedrijf 1] teruggegeven. Van het tegendeel is niet gebleken. Daardoor komt de schade en het causaal verband tussen die schade en het incident niet vast te staan. Gedaagden hoeven de gevorderde vergoeding in verband met de beeldrecorder daarom niet te betalen.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. De beeldrecorder bevat een harde schijf en is beveiligd met een wachtwoord. Ter zitting is gebleken dat [bedrijf 4] (en hiermee [persoon 1] ) als leverancier van de beeldrecorder over het wachtwoord van [bedrijf 1] beschikt, zodat [bedrijf 1] dit zou kunnen opvragen voor het geval zij het zou zijn vergeten. [bedrijf 1] stelt dat haar wachtwoord na teruggave van de beeldrecorder niet meer werkte en dat [persoon 1] het wachtwoord na het incident op 31 januari 2024 waarschijnlijk heeft gewijzigd. [persoon 1] betwist dit en verwijst naar de e-mail van [naam] van 29 augustus 2025, waaruit volgt dat [bedrijf 1] haar wachtwoord van de beeldrecorder was vergeten. Wat hier ook van zij, als er inderdaad iets met het wachtwoord aan de hand was, dan mocht van [bedrijf 1] verwacht worden dat zij het wachtwoord bij [bedrijf 4] had opgevraagd, zodat vervanging van de beeldrecorder mogelijk voorkomen kon worden. [bedrijf 1] heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat zij heeft gehandeld in strijd met haar schadebeperkingsplicht voortvloeiend uit artikel 6:101 lid 1 BW. Ook om die reden dient de vordering te worden afgewezen.
d. het beeldscherm voor de digitale vaarkaart
Niet kan worden vastgesteld dat het beeldscherm voor de digitale vaarkaart als gevolg van het incident op 31 januari 2024 beschadigd is geraakt, omdat een nadere onderbouwing van die stelling ontbreekt. [bedrijf 1] heeft weliswaar een foto van de beschadiging overgelegd, maar niet kan worden vastgesteld wanneer deze foto is gemaakt. Deze onderbouwing is dus onvoldoende om aan te nemen dat de beschadiging is veroorzaakt door (het handelen van) gedaagden. Van de beschadigde beeldrecorder wordt weliswaar melding gemaakt in het proces-verbaal van de politie van 4 juli 2024, maar dit proces-verbaal is niet gebaseerd op eigen waarnemingen van de opsporingsambtenaar. Het is slechts een vastlegging van de verklaring die [persoon 4] voor de opsporingsambtenaar heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat [bedrijf 5] in een WhatsApp-bericht naar [persoon 1] heeft verklaard dat hij op vrijdag 2 februari 2024 aan boord was van het schip en dat het beeldscherm er toen goed en onbeschadigd uitzag. Het werkte bovendien naar behoren. Dat doet het kennelijk nog steeds, want op de mondelinge behandeling is gebleken dat het schip nog steeds met het oude beeldscherm vaart. Op grond van het voorgaande wijst de kantonrechter dit deel van de vordering af.
e. sleep- en transportkosten
[persoon 1] voert tegen deze schadepost aan dat het volledig aan de eigen schuld van [schip] te wijten is dat zij deze kosten heeft gemaakt. Dit was namelijk niet nodig. Het schip lag op 31 januari 2024 volgeladen met maïs. Die lading hoefde pas op 6 februari 2024 te worden gelost in Weert. Dat is slechts twee dagen varen vanaf [plaats 2] . [persoon 1] had de apparatuur ook al eerder terug willen geven, maar [persoon 4] wilde deze niet in ontvangst nemen.
[persoon 1] en [persoon 4] hebben tussen 31 januari 2024 en 2 februari 2024 onderhandeld over een regeling voor de apparatuur en de openstaande rekening van [bedrijf 4] . Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het op belangrijke punten van de regeling niet eens waren met elkaar. Daarom kan niet worden vastgesteld dat er overeenstemming was bereikt. Dit betekent dat als uitgangspunt moet worden genomen dat [persoon 1] de apparatuur onrechtmatig heeft weggenomen en dus zonder meer en terstond verplicht was deze terug te geven aan [bedrijf 1] . Dat heeft hij niet gedaan. Van schuldeisersverzuim of eigen schuld van [bedrijf 1] is dus geen sprake.
Het was voor [bedrijf 1] niet duidelijk of en wanneer zij haar apparatuur terug zou krijgen. In de ochtend van 2 februari 2024 (een vrijdag) heeft de politie de apparatuur in beslag genomen. Uit de e-mail van [bedrijf 6] B.V. van 1 februari 2024 blijkt dat [schip] contractueel verplicht was op 5 februari 2024 met het schip in Weert te zijn. [schip] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat een schip zijn vracht voor 6:00 uur of voor 12:00 uur in de haven van aankomst kan aanmelden. Vanwege de hoeveelheid vracht op het schip betekent dit dat het schip op maandagochtend voor 6:00 uur al in Weert moest zijn, omdat de vracht anders niet binnen de met de afnemer overeengekomen tijd gelost kon worden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de sluizen op de route, die voor de nodige vertraging kunnen zorgen. Verder heeft [schip] gesteld – en heeft [persoon 1] niet weersproken – dat [schip] donderdags al contact heeft opgenomen met [bedrijf 5] en prijsafspraken heeft gemaakt voor het slepen van het schip. De prijs was afhankelijk van het moment van vertrek en moest vooruitbetaald worden, aldus [schip] . Toen op vrijdagochtend 2 februari 2024 duidelijk werd dat [bedrijf 1] de apparatuur voorlopig niet terug zou krijgen, heeft [schip] besloten dat het schip versleept zou worden en is [bedrijf 5] met zijn sleepboot uit [plaats 4] vertrokken naar [plaats 2] . Vanuit [plaats 2] is het schip diezelfde middag versleept naar Antwerpen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden was de beslissing van [schip] naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd.
[schip] zou de sleepkosten niet hebben gemaakt als de apparatuur aanwezig was in het schip en zij op eigen kracht naar Weert had kunnen varen. Gedaagden moeten de sleepkosten van € 2.850,00 exclusief btw daarom aan [schip] vergoeden.
Er is door [persoon 1] geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de transportkosten. Deze vordering van € 150,00 exclusief btw komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal eveneens worden toegewezen.
f. overliggeld
Voor zover [schip] door het incident vertraging heeft opgelopen in haar reisschema, zijn gedaagden daar geen overliggeld voor verschuldigd. Overliggeld is een gefixeerde schadevergoeding die de afzender van de vracht moet betalen als de overeengekomen laadtijd wordt overschreden. Gedaagden zijn deze vergoeding dus hoe dan ook niet verschuldigd, omdat zij niet de afzender zijn. Verder blijkt uit het dossier dat de vracht ten tijde van het incident al geladen was. Dit betekent dat de afzender de laadtijd niet heeft overschreden en de vordering ook om die reden niet kan worden toegekend.
conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagden een vergoeding van € 1.783,03 exclusief btw aan [bedrijf 1] moeten betalen en van € 3.000,00 exclusief btw aan [schip] .
wettelijke rente
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd. De verbintenis tot betaling van een schadevergoeding ontstaat op het moment van de schadeveroorzakende verbintenis en moet terstond worden nagekomen, hetgeen niet is gebeurd.
proceskosten
Omdat alle partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt afgewezen.
hoofdelijkheid
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 1.783,03 exclusief btw;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [schip] te betalen een bedrag van € 3.000,00 exclusief btw;
veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 5.1 en 5.2 genoemde bedragen, met ingang van 31 januari 2024, tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. |
||