ECLI:NL:RBZWB:2026:9283

Datum uitspraak
25-09-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
BRE 25/3945
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Opleggen preventieve last onder dwangsom en invordering van twee verbeurde dwangsommen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. A.C.F. Berkhof),

en

de burgemeester van de gemeente Reimerswaal, de burgemeester.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door de burgemeester aan eiser opgelegde preventieve last onder dwangsom en de invordering van twee door hem verbeurde dwangsommen. Eiser is het niet eens met deze besluiten van de burgemeester. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de bestreden besluiten worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 15 augustus 2024 (primair besluit I) heeft de burgemeester aan eiser een preventieve last onder dwangsom opgelegd wegens de vrees dat eiser op 16 en 17 augustus 2024 in de [locatie] in [plaats 2] een evenement organiseert zonder dat hij over de vereiste vergunning beschikt.

2.1.

Bij besluit van 2 december 2024 (primair besluit II) heeft de burgemeester aan eiser kenbaar gemaakt verbeurde dwangsommen in te vorderen wegens het tweemaal overtreden van de aan hem opgelegde last onder dwangsom.

2.2.

Met het bestreden besluit I van 26 juni 2025 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en primair besluit I in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

2.3.

Met het bestreden besluit II van 26 juni 2025 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en primair besluit II in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

2.4.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

2.5.

De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de burgemeester zijn [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Eiser is de zoon van de eigenaar van een boot, de [boot] , in de [locatie] in [plaats 2] (hierna: de boot).

3.2.

Op 12 augustus 2024 heeft een toezichthouder van de burgemeester een melding ontvangen dat op 16 en 17 augustus 2024, gedurende [event] , een feest zou worden georganiseerd op de boot. Het feest, de ‘ [feest] ’, is aangekondigd met een flyer waarop de dagen, tijden en de optredende artiesten zijn vermeld. Voor dit feest is geen evenementenvergunning aangevraagd en/of verleend. Naar aanleiding van deze melding heeft de toezichthouder op 13 augustus 2024 telefonisch contact gehad met eiser.

3.3.

Op basis van de aankondiging van het feest en de door eiser afgelegde verklaring, heeft de burgemeester op 13 augustus 2024 aan eiser bekend gemaakt voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend.

3.4.

Naar aanleiding van de melding en de verklaring van eiser heeft de burgemeester met primair besluit I zowel eiser als diens vader gelast om het geplande feest op 16 en 17 augustus 2024 niet te laten doorgaan. Indien aan de last niet wordt voldaan, zal een dwangsom van € 15.000,- per overtreding per dag, met een maximum van € 30.000,- worden verbeurd.

3.5.

Op 16 en 17 augustus 2024 heeft een toezichthouder controles uitgevoerd bij de boot. De bevindingen van deze controlemomenten zijn vastgelegd in twee rapporten van bevindingen, beide daterend van 19 augustus 2024. Op basis van deze constateringen heeft de burgemeester op 20 september 2024 aan eiser het voornemen tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen kenbaar gemaakt. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend.

3.6.

Met primair besluit II heeft de burgemeester besloten de verbeurde dwangsommen in te vorderen.

3.7.

Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt.

3.8.

Met de bestreden besluiten van 26 juni 2025 heeft de burgemeester de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

Toetsingskader

4. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.1 Wordt de last overtreden, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd.

4.1.

Voordat wordt aangemaand tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.2

4.2.

Het beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op het besluit tot invordering van die dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.3

4.3.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Preventieve last onder dwangsom (bestreden besluit I)

Heeft de burgemeester een preventieve last onder dwangsom kunnen opleggen?

5. In artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

5.1.

Uit artikel 5:7 van de Awb volgt dat een last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt voor het opleggen van een dergelijke preventieve last het vereiste dat de overtreding zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.4 Omdat het een belastend besluit betreft, ligt het op de weg van de burgemeester om dit aannemelijk te maken.

5.2.

Op grond van artikel 2:25, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2020 (hierna: APV) van de gemeente Reimerswaal is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Volgens artikel 2:24, eerste lid van de APV wordt onder het begrip ‘evenement’ verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak (behoudens een aantal uitzonderingen). Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is sprake van een vergunningplichtige activiteit, omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Besloten feesten vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling, omdat in dat geval geen sprake is van een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

5.3.

Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2.25, eerste lid, van de APV. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat geen evenementenvergunning is vereist, omdat sprake is van een besloten feest, uitsluitend bedoeld voor een specifieke groep genodigden. Het gaat daarom niet om een voor het publiek toegankelijk evenement, aldus eiser.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat de flyer voor het feest zoals deze op sociale media is verspreid het programma op 16 en 17 augustus 2024 bevat. Volgens het programma worden gedurende de twee dagen meerdere optredens verzorgd door verschillende artiesten. Op 13 augustus 2024 heeft een toezichthouder telefonisch contact gehad met eiser. Een verslag van dit gesprek is vastgelegd in het rapport van bevindingen van 13 augustus 2024. Uit dit rapport blijkt dat eiser erkent geen uitnodigingen voor het feest te hebben verstuurd, maar wel aankondigingen van het feest te hebben gedeeld.

5.5.

Uit het primaire besluit I en het bestreden besluit I blijkt dat de burgemeester zijn standpunt dat sprake was van een voor het publiek toegankelijk evenement, heeft gebaseerd op de op 13 augustus 2024 afgelegde verklaring van eiser en het delen van een aankondiging van het feest met een onbepaald aantal personen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in dit geval bevoegd was om aan eiser een preventieve last onder dwangsom op te leggen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de burgemeester, gelet op de verklaring van eiser dat hij geen uitnodigingen voor het feest heeft verstuurd maar wel aankondigingen van het feest heeft gedeeld, heeft kunnen concluderen dat sprake is van de vereiste aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat een nieuwe, nog niet gepleegde overtreding van artikel 2:25, eerste lid, van de APV dreigt. Het feit dat eiser de flyer waarmee het feest is aangekondigd heeft aangepast door toe te voegen dat het om een besloten feest gaat, maakt dat niet anders. Op dat moment was de flyer immers al gedeeld met een onbekend aantal personen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Heeft de burgemeester de hoogte van de dwangsom in redelijkheid vastgesteld?

6. Met primair besluit I heeft de burgemeester aan eiser een dwangsom opgelegd van € 15.000,- per overtreding per dag, met een maximum van € 30.000,-, indien eiser niet of niet volledig voldoet aan de aan hem opgelegde last.

6.1.

Eiser voert aan dat de burgemeester de hoogte van de dwangsom onvoldoende heeft gemotiveerd en stelt daarnaast dat de dwangsom onevenredig hoog is.

6.2.

In het bestreden besluit I en in het verweerschrift heeft de burgemeester onderbouwd dat bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom onder andere rekening is gehouden met de aanzienlijke risico’s die de organisatie van het feest heeft voor de openbare orde en veiligheid en het feit dat eiser geen evenementenvergunning heeft aangevraagd en/of verkregen voor het feest.

6.3.

Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb moet de burgemeester bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom rekening houden met de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom, omdat die in een redelijke verhouding tot elkaar moeten staan. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft om de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels.5 Van de dwangsom moet zo’n prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

6.4.

Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank constateert dat de ‘Zeeuwse leidraad richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen’, waarnaar partijen verwijzen, een dwangsom van € 2.000,- per overtreding hanteert voor het handelen in strijd met een verleende evenementenvergunning, met een maximum van € 10.000,-. Hoewel de rechtbank de burgemeester volgt in de stelling dat deze richtlijn in dit geval niet één-op-één van toepassing is, omdat eiser in het onderhavige geval geen evenementenvergunning heeft aangevraagd en/of verleend, heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval een dwangsom van € 15.000,- per overtreding passend is, gelet op de aard en de ernst van de (kennelijk dreigende) overtreding en het met de last beoogde doel. Op zitting heeft de burgemeester bovendien erkend dat de hoogte van de dwangsom te hoog is vastgesteld. Aan het bestreden besluit I kleeft daarom een motiveringsgebrek.

Invordering verbeurde dwangsommen (bestreden besluit II)

Heeft eiser de opgelegde last onder dwangsom overtreden?

7. Tussen partijen is niet in geschil dat op 16 en 17 augustus 2024 een feest heeft plaatsgevonden. Ook is niet in geschil dat eiser niet beschikt over een evenementenvergunning voor dit feest. Wel in geschil is of dit feest moet worden aangemerkt als evenement in de zin van artikel 2:24, eerste lid, van de APV op grond waarvan de burgemeester heeft kunnen concluderen dat eiser de aan hem opgelegde last heeft overtreden.

7.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. De vaststelling van de burgemeester dat eiser de aan hem opgelegde last heeft overtreden, is gebaseerd op de rapporten van bevindingen van 19 augustus 2024.

7.2.

Om een overtreding van artikel 2:25, eerste lid, van de APV vast te stellen, moet niet alleen sprake zijn van een niet-besloten feest, maar moet ook aannemelijk worden gemaakt dat het feest voor het publiek toegankelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de burgemeester hier niet in geslaagd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser op zitting heeft toegelicht dat hij naar aanleiding van het primaire besluit I een beveiliger heeft ingeschakeld om te voorkomen dat onbekenden de boot zouden betreden. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Uit de toelichting van eiser blijkt daarnaast dat de gastenlijst die de beveiliger hiervoor heeft gebruikt, enkel namen van familie en vrienden bevat. Ook heeft eiser toegelicht dat de meeste van de optredende artiesten vrienden van eiser zijn. Hieruit blijkt dat het feest een niet voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak was.

7.3.

Gelet op het voorgaande, heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat eiser op 16 en 17 augustus 2024 een evenement in de zin van artikel 2:24, eerste lid, van de APV heeft georganiseerd en daardoor niet aannemelijk gemaakt dat eiser de aan hem opgelegde last heeft overtreden. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep van eiser tegen bestreden besluit I is gegrond, omdat de burgemeester de hoogte van de dwangsom niet voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit I vernietigen en de burgemeester opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.

8.1.

Het beroep van eiser tegen bestreden besluit II is ook gegrond, omdat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de aan hem opgelegde last onder dwangsom heeft overtreden. De rechtbank zal daarom ook het bestreden besluit II vernietigen en de burgemeester opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.

8.2.

De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus, zoals bedoeld in artikel 8:51a van de Awb, omdat dit volgens de rechtbank in dit geval geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.

8.3.

Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I van 26 juni 2025, voor zover de burgemeester daarin de hoogte van de dwangsom heeft vastgesteld op € 15.000,- per overtreding per dag, met een maximum van € 30.000,- en draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- vernietigt het bestreden besluit II van 26 juni 2025 en draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 25 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:7

Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Artikel 5:32

  1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

  2. (…)

Artikel 5:32b

  1. (…)

  2. (…)

3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Artikel 5:37

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

  2. (…)

Artikel 5:39

  1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

  2. (…)

Algemene plaatselijke verordening 2020

Artikel 2:24

1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaakt, met uitzondering van:

a. (…)

Artikel 2:25

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. (…)

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »