RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6011
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6], allen uit [plaats 1] , eisers
(gemachtigde: [eiser 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van een pand tot vijf appartementen. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen en verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een bestaand pand om daar vijf appartementen te realiseren. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op de bezwaren van eisers is het college, onder aanvulling van de motivering, bij dat besluit gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens eisers zijn [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 5] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger college 1] en mr. [vertegenwoordiger college 2] . Ook vergunninghouder heeft deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.C. van der Want.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Op 29 december 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een bestaand pand aan [adres] in [plaats 1] (hierna: het perceel) om vijf appartementen te realiseren.
Op 26 maart 2024 heeft de dorpsbouwmeester positief geadviseerd over het bouwplan, waarbij een viertal suggesties zijn gedaan om de ruimtelijke kwaliteit van het bouwplan te vergroten.
Met het besluit van 25 april 2025 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend (primair besluit).
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).1 De aanvraag om een omgevingsvergunning is door vergunninghouder ingediend op 29 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Afwijken van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan
5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren dat in strijd is met een bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geweigerd als de activiteit in strijd is met een bestemmingsplan.
Ter plaatse van het perceel is onder andere het bestemmingsplan “ [plaats 1] ” (hierna: het bestemmingsplan) van kracht, dat onderdeel is van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Uit dit bestemmingsplan blijkt dat op het perceel (o.a.) de bestemming “Detailhandel” rust. Daarnaast ligt het perceel binnen de [molenbiotoop] , waardoor op het perceel de aanduiding “vrijwaringszone – molenbiotoop” rust.
Op grond van het bestemmingsplan is het toegestaan om op het perceel een bouwwerk te bouwen met een maximale bouwhoogte van 10 meter en een maximale goothoogte van 6 meter.
Ingevolge artikel 22.1.2 van het bestemmingsplan mag ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone – molenbiotoop” de bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken:
“b. binnen een afstand van 100 tot 400 m van de molen, niet meer bedragen dan 1/100 van die afstand tussen bouwwerk en die molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;”.
Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 22.1.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan op het perceel een maximale bouwhoogte van 7 meter geldt. Evenmin is in geschil dat het beoogde bouwwerk deze bouwhoogte overschrijdt. Het bouwplan is daarom, zo constateert ook de rechtbank, in strijd met het bestemmingsplan.
Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo bepaalt – voor zover relevant – dat, indien een aanvraag betrekking heeft op een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, die aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag voor een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De aangevraagde vergunning wordt in dat geval slechts geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend als de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan in artikel 22.1.3 een mogelijkheid biedt voor het college om af te wijken van de maximale bouwhoogte zoals deze geldt op grond van artikel 22.1.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan. Deze afwijkingsbevoegdheid bestaat, zo volgt uit artikel 22.1.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, alleen als aangetoond is dat het bouwwerk geen nadelige effecten heeft op de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen. Tussen partijen is in geschil of het college gebruik mocht maken van deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
Eisers stellen zich op het standpunt dat het college geen gebruik mocht maken van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 22.1.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan. Hiertoe voeren eisers allereerst aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de effecten van het bouwplan op de cultuurhistorische waarde van de molen. Daarnaast betogen eisers dat het college, bij het besluit om af te wijken van de maximale bouwhoogte, onvoldoende de belangen van eisers heeft meegewogen. Eisers wijzen in dit kader op het verlies aan privacy, de financiële schade die zij lijden als gevolg van toegenomen schaduwvorming op hun zonnepanelen en zonneboiler, en de vermindering van hun zicht op (monumentale) bomen in de omgeving.
Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit niet worden vernietigd wegens strijd met een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit wordt ook wel het relativiteitsvereiste genoemd.
De rechtbank stelt op basis van de planregels en de toelichting daarbij vast dat de regels ten aanzien van de molenbiotoop dienen in het belang van de [molenbiotoop] en dat deze regels tot doel hebben dat de molen technisch kan blijven functioneren. Een zoveel mogelijk onbelemmerde windvang is daarvoor nodig, zo blijkt uit de toelichting.
De rechtbank is van oordeel dat de planregels die zien op de (bescherming van de) molenbiotoop niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers. Eisers hebben geen belang dat zich richt op de functionaliteit van de molen, aangezien zij geen eigenaar of exploitant van de molen zijn. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat de beroepsgrond over de molenbiotoop leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. De rechtbank merkt hierbij op dat dit dus ook geldt voor de gronden die zien op de goede ruimtelijke ordening (privacy, financiële schade door schaduwvorming en uitzicht op (monumentale) bomen), aangezien deze samenhangen met de planregels die zien op de (bescherming van de) molenbiotoop.
Bescherming van (monumentale) bomen
6. Eisers voeren aan dat het college in de verleende omgevingsvergunning ten onrechte geen voorwaarden of voorschriften heeft opgenomen ter bescherming van de bomen die direct grenzen aan het perceel. Bovendien had het college volgens eisers een Bomen Effect Analyse moeten laten uitvoeren, om de risico’s van de uitvoering van het bouwplan voor de bomen in kaart te brengen.
Voor zover eisers hebben willen betogen dat de belangen van de bomen in [plaats 3] onvoldoende bij de besluitvorming van het college zijn betrokken, overweegt de rechtbank dat deze belangen weliswaar een rol kunnen spelen in het kader van een (eventuele) kapvergunning, maar niet in het kader van de verlening van deze omgevingsvergunning. In deze zaak ligt de beoordeling van de omgevingsvergunning voor. De stelling van eisers dat het realiseren van het bouwplan mogelijk leidt tot (ernstige) schade aan de bomen, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het verbouwen van het pand niet mocht verlenen. De rechtbank zal de beroepsgrond die ziet op het belang van (het beschermen van) de bomen om die reden buiten bespreking laten.
Parkeerbehoefte
7. Eisers betogen dat het bouwplan niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit de Beleidsregels van gemeente Reimerswaal houdende parkeernormen: nota parkeernormen (hierna: parkeernota), omdat het plan voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen en geen rekening is gehouden met het bezoekersaandeel.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte.2
Op het perceel is (ook) het bestemmingsplan “Parapluherziening Kernen en Bedrijventerreinen” van toepassing. Artikel 2 van dit bestemmingsplan bepaalt dat moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals deze zijn vastgelegd in de parkeernota. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het bouwplan op basis van de parkeernota een parkeerbehoefte van 1,4 geldt (“Huur, etage, midden”). Evenmin is in geschil dat het bezoekersaandeel 0,3 bedraagt. Zij verschillen wel van mening over de manier waarop het bezoekersaandeel moet worden begrepen. Het gaat dan om de vraag of het bezoekersaandeel al in de parkeerbehoefte is inbegrepen.
De rechtbank sluit zich aan bij de uitleg van het college en komt tot de conclusie dat in de parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning zowel het bewoners- als het bezoekersaandeel is begrepen. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de formulering van de overige parkeernormen in de parkeernota. Daarin is namelijk steeds vermeld dat een parkeernorm van een bepaald aantal plaatsen geldt, waarvan een bepaald aantal voor bezoekers. De rechtbank leidt hieruit af dat in de systematiek van de parkeernota het bezoekersaandeel al is meegeteld in de parkeernormen en daar niet nog afzonderlijk bij hoeft te worden opgeteld. Dat dit bij de parkeerkencijfers voor de functie ‘Wonen’ niet expliciet benoemd is in de parkeernota, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de berekeningsmethodiek zoals opgenomen in de parkeernota.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de parkeerbehoefte juist heeft berekend en terecht heeft geconcludeerd dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen.
Conclusie en gevolgen
8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college de omgevingsvergunning verlenen. Het beroep van eisers is dus ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 25 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
-
Het bouwen van een bouwwerk;
-
(…)
-
Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan (…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. (…)
b. (…)
c. De activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. (…)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking;
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
b. (…)
Bestemmingsplan “ [plaats 1] ”
Artikel 22.1.2 Bouwregels
Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ mag de bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken in aanvulling op, dan wel in afwijking van, hetgeen in de bestemming is bepaald:
-
(…)
-
Binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen, niet meer bedragen dan 1/100 van die afstand tussen bouwwerk en die molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;
-
(…)
Artikel 22.1.3 Afwijken van de bouwregels
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 22.1.2 teneinde hogere bouwwerken op te richten overeenkomstig de overige voor deze gronden geldende bestemmingen:
a. (…)
b. binnen een afstand van 100 tot 400 m uit de molen kan de genoemde omgevingsvergunning slechts worden verleend indien:
i. Aangetoond is dat het bouwwerk geen nadelige effecten heeft op de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen.
c. (…)
Parkeernota Reimerswaal
Wonen
Voor grondgebonden koop- en huurwoningen hanteert het CROW een indeling naar bebouwingstypologie. Voor niet-grondgebonden koop- en huurwoningen hanteert het CROW een indeling naar prijsklasse (duur, midden en goedkoop).
|
Wonen |
[plaats 4] |
Overige kernen |
Buiten-gebied |
Aandeel bezoekers |
Eenheid per |
|
|
Centrum |
Rest bebouwde kom |
Rest bebouwde kom |
||||
|
Koop, vrijstaand |
1,8 |
2,3 |
2,3 |
2,4 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Koop, 2 onder 1 kap |
1,7 |
2,2 |
2,2 |
2,2 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Koop, tussen/hoek |
1,5 |
2,0 |
2,0 |
2,0 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Koop, etage, duur |
1,6 |
2,1 |
2,1 |
2,1 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Koop, etage, midden |
1,4 |
1,9 |
1,9 |
1,9 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Koop, etage, goedkoop |
1,3 |
1,6 |
1,6 |
1,6 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Huurhuis, vrije sector |
1,5 |
2,0 |
2,0 |
2,0 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Huurhuis, sociale huur |
1,3 |
1,6 |
1,6 |
1,6 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Huur, etage, duur |
1,4 |
1,9 |
1,9 |
1,9 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Huur, etage, midden |
1,1 |
1,4 |
1,4 |
1,4 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Huur, etage, goedkoop |
1,1 |
1,4 |
1,4 |
1,4 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Serviceflat/aanleunwoning |
1,1 |
1,2 |
1,2 |
1,2 |
0,3 pp/woning |
woning |
|
Kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten) |
0,6 |
0,7 |
0,7 |
0,7 |
0,2 pp/woning |
kamer |
|
Kamerverhuur, studenten, niet zelfstandig |
0,3 |
0,3 |
0,3 |
0,3 |
0,2 pp/woning |
kamer |
|
Huisvesting arbeidsmigranten |
0,5 |
0,5 |
0,5 |
0,5 |
- |
persoon |