RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6343
uitspraak van 23 september 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder,
gemachtigde: mr. Z. Tugran.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eiser tegen een bestuurlijke boete. Het college vindt dat het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete niet op tijd was ingediend. Eiser is het daarmee niet eens. Aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft met het primaire besluit van 8 juli 2025 een bestuurlijke boete aan eiser opgelegd wegens een overtreding van de Wet goed verhuurderschap. Eiser heeft op 20 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunt van het college
3. Volgens het college is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk, omdat dit niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Het college stelt dat het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, volgens de vereisten uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het primaire besluit is op 8 juli 2025 aan eiser toegezonden, waardoor eiser tot en met 19 augustus 2025 de mogelijkheid had een bezwaarschrift in te dienen. Het college heeft het bezwaarschrift op 20 augustus 2025 en dus na het verstrijken van de bezwaartermijn ontvangen.
Volgens het college is de vakantie van eiser geen verschoonbare reden voor een
termijnoverschrijding. Het college heeft in dit kader gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).1 Ook wordt gewezen op rechtspraak waaruit blijkt dat verblijf in het buitenland gedurende de bezwaarprocedure en het risico dat voor de postafhandeling geen adequate maatregelen zijn getroffen, in beginsel voor rekening van de bezwaarmaker komen.2 Het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift kan daarom volgens het college aan eiser worden toegerekend, waardoor de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
Het college heeft in verweer aanvullend aangevoerd dat uit de door eiser overgelegde reserveringsbevestiging niet blijkt dat eiser gedurende de volledige bezwaartermijn op vakantie was. Daar komt bij dat de vakantie volledig voorzienbaar was en dat eiser daarom maatregelen had moeten treffen met betrekking tot zijn post. Zeker in de situatie van eiser, waarbij bekend was dat er een boeteoplegging zou volgen. Eiser heeft immers op 13 juni 2025 een voornemen tot boeteoplegging ontvangen. Dat eiser heeft nagelaten om maatregelen te treffen, kan volgens het college niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die maakt dat hem redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Beroepsgronden
4. Eiser voert met betrekking tot de overschrijding van de bezwaartermijn aan dat hij er niets aan kon doen dat hij niet tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. Hij was gedurende de hele bezwaartermijn met vakantie. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft eiser een bewijsstuk overgelegd. Dit betreft een reserveringsbevestiging waaruit blijkt dat hij van 12 tot 19 augustus 2025 een kamer had geboekt in Turkije.
Inhoud van het geschil
5. Niet in geschil is dat het bezwaar van eiser buiten de wettelijke termijn van zes weken is ingediend en dat het bezwaarschrift dus (één dag) te laat is ingediend. Eiser stelt dit ook in zijn bezwaarschrift. Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was.
Bekendmaking van het besluit
6. Op grond van artikel 3:41, eerste lid van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit die tot een of meer belanghebbenden is gericht, door toezending of uitreiking aan hen.
7. Het college stelt dat het primaire besluit op 8 juli 2025 aangetekend is verzonden. Dit wordt niet door eiser betwist. De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat gelet op de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb de bezwaartermijn liep tot en met 19 augustus 2025. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat hij het besluit later heeft ontvangen. Dit standpunt is echter zo laat aangevoerd dat de rechtbank het niet zal bespreken. Bovendien heeft eiser zich ook op het standpunt gesteld dat hij gedurende de hele bezwaartermijn niet op zijn adres aanwezig was. Gelet op deze stelling is een latere ontvangst van het besluit daarom niet van belang voor de beoordeling.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
8. Als een bezwaar- of beroepschrift na de termijn is ingediend, blijft op grond van artikel 6:11 van de Awb de niet-ontvankelijkverklaring achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Er kan in de eerste plaats worden gedacht aan persoonlijke omstandigheden van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting en stress kunnen zorgen.3 Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan deze niet aan de indiener worden toegerekend.
Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.4 Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.5
Eiser heeft als reden aangevoerd dat hij met vakantie was en daardoor te laat was. De ABRvS heeft over dat soort gevallen geoordeeld dat vakantie geen verschoonbare reden voor termijnoverschrijding is. Het niet zorgdragen voor een goede postafhandeling tijdens een gepland verblijf in het buitenland vormt geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht.6
De rechtbank is gelet op deze vaste jurisprudentie van oordeel dat de omstandigheid dat eiser met vakantie was, geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarnaast heeft het college terecht aangevoerd dat eiser, als hij voor een langere periode afwezig is, voor waarneming van zijn post had moeten zorgen. Het feit dat hij dat niet heeft gedaan en naar het buitenland vertrok, komt voor rekening en risico van eiser zelf. Eiser had bovendien kunnen weten dat op korte termijn een besluit zou volgen, vanwege het eerder ontvangen voornemen tot de boeteoplegging. Eiser had hierin een reden moeten zien om te zorgen voor waarneming van zijn post. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.H.A.M. Verkooijen, griffier, op 23 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:41
-
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
-
Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
-
niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
-
het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9
-
Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
-
Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.