RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5496
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand (college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [b.v.] . (hierna: [b.v.] ), statutair gevestigd in [plaats 2] ,
(gemachtigde: mr. T. Delmée).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan [b.v.] voor het realiseren van 33 bedrijfsunits op het [adres] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning aan [b.v.] terecht heeft verleend, omdat er geen weigeringsgronden zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 september 2025 (bestreden besluit) van het college waarbij de verleende omgevingsvergunning in stand is gelaten.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college mr. [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] . Ook was mr. M.A.E. Ceelen als waarnemend gemachtigde van [b.v.] aanwezig.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op 14 september 2023 heeft [b.v.] een aanvraag ingediend bij het college voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 33 bedrijfsunits aan [adres] te [plaats 1] (hierna: het bouwplan).
Met het besluit van 20 februari 2024 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit het bouwen van een bouwwerk1.
Eiser heeft op 21 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het besluit van 24 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen belanghebbende zou zijn. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft op 9 juli 20252 mondeling uitspraak gedaan en het beroep van eiser gegrond verklaard, omdat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het besluit van 24 juni 2024 is vernietigd en het college moest een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Wettelijk kader
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder, van de Invoeringswet Omgevingsrecht het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.3
De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend voor 1 januari 2024. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, zoals deze gold voor 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Er doen zich geen weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voor. Daardoor was het college verplicht om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen (het limitatief-imperatieve stelsel).
Oordeel van de rechtbank
Omvang van het geding
6. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning voor het bouwplan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Tijdens de zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over het nog niet vergoede griffierecht uit de voorgaande procedure ingetrokken. Als extra beroepsgrond heeft hij op de zitting aangevoerd dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure (UOV) gevolgd had moeten worden.
Is terecht de reguliere procedure gevolgd?
7. Eiser heeft aangevoerd dat de UOV-procedure gevolgd moest worden, omdat sprake is van twee activiteiten die onlosmakelijk samenhangen. Naast de activiteit ‘bouwen’ is volgens eiser een sloopvergunning nodig. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning alleen ziet op de activiteit ‘bouwen’ en dat volstaan kon worden met een sloopmelding. Het college heeft dus terecht de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd.
Limitatief-imperatief stelsel
Het gaat in deze zaak om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’.4 Bij een aanvraag voor de activiteit ‘bouwen’ moet het college het bouwplan toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Bij die toetsing geldt een limitatief-imperatief stelsel. Dat betekent dat het college moet beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo - waaronder strijd met het bestemmingsplan - voordoen. Als dat niet het geval is, moet de gevraagde vergunning worden verleend.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Bedrijvenpark [plaats 1] ” van toepassing en rust de bestemming “Bedrijventerrein”.
Strijd met het bestemmingsplan?
Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo is verleend, omdat niet zou worden voldaan aan de parkeernormen uit het bestemmingsplan. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de akte van splitsing, waaruit volgt dat slechts de bedrijfsunits zijn gesplitst en het buitenterrein (inclusief parkeerplaatsen) niet. Door een gevestigde erfdienstbaarheid zou het terrein feitelijk toegankelijk zijn voor het openbaar verkeer en daarmee als openbare weg moeten worden aangemerkt. Hierdoor zouden gebruikers niet over “eigen terrein” beschikken en niet kunnen voldoen aan de parkeernorm uit artikel 11.2, onder a, van het bestemmingsplan.
Artikel 11.2, onder a, van het bestemmingsplan bepaalt dat in het geval van nieuwbouw of functiewijziging waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen. Hiertoe dienen de parkeernormen in acht te worden genomen zoals opgenomen in de Parkeernota gemeente Loon op Zand (hierna: Parkeernota).
De rechtbank overweegt dat in het bestemmingsplan en in de Parkeernota geen (plan)regels zijn opgenomen waarin staat dat ieder appartementsrecht een vaste, eigen parkeerplaats moet hebben. Volgens het college wordt voor het hele bouwplan voorzien in de parkeerbehoefte op het eigen terrein. Tussen partijen is niet in geschil dat de parkeerbehoefte vijftig parkeerplaatsen betreft. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de situatietekening ‘Parkeerberekening’ dat op het eigen terrein vijftig parkeerplaatsen aanwezig zijn, waardoor in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Dat sprake is van eigen terrein, volgt uit de eigendom van [b.v.] van het terrein. Aan de parkeereisen wordt dus voldaan. Er is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan en de beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.
Redelijke eisen van welstand en een goede ruimtelijke ordening
Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning in strijd is met de redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo) en een goede ruimtelijke ordening. Ter onderbouwing verwijst eiser naar gemeentelijke rooilijnen die zijn opgesteld om een harmonieuze ruimtelijke uitstraling te waarborgen.
Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat het college aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel over de redelijke eisen van welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.5
Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat de rooilijnen waarnaar hij met zijn beroepsgrond verwijst, zien op het straatbeeld. Op zich maakt het straatbeeld deel uit van de beoordeling van de redelijke eisen van welstand. Voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) zijn de rooilijnen echter geen beletsel geweest om een positief welstandsadvies te geven. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat sprake is van onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het welstandsadvies, of van een onbegrijpelijke redenering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich op het welstandsadvies van de CRK heeft mogen baseren nu dit voldoet aan de regels zoals in de rechtspraak geformuleerd.
Voor zover eiser met het aanhalen van het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ heeft bedoeld te stellen dat het college het bouwplan daaraan had moeten toetsen, volgt de rechtbank hem daarin niet. Er is immers sprake van een bouwplan dat volledig binnen de planregels en het bouwvlak in het bestemmingsplan past. Pas als een omgevingsvergunning nodig zou zijn geweest om af te wijken van wat het bestemmingsplan mogelijk maakt, had het college moeten toetsen aan de goede ruimtelijke ordening.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing wijst eiser op een krantenartikel waarin wordt verwezen naar een rapport van adviesbureau BRO uit 2003 over [bedrijventerrein] . Hierin wordt aanbevolen om de [straat 1] en de [straat 2] met elkaar te verbinden ter verbetering van de bereikbaarheid. Op basis van uitlatingen van de toenmalige wethouder mocht eiser er op vertrouwen dat deze verbinding er zou komen. Het bouwplan maakt die verbinding onmogelijk.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling6 volgt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid al dan niet zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het krantenartikel geen toezegging gedaan door de toenmalige wethouder. Er is dus niet voldaan aan de eerste stap, een toezegging. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
Overige beroepsgronden
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door eiser aangevoerde overige beroepsgronden geen betrekking op de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Gelet op het genoemde limitatief-imperatieve stelsel in dit artikel, hebben deze beroepsgronden dus geen invloed op de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. De overige beroepsgronden zijn immers vooral verzoeken aan de rechtbank om iets te bepalen. Dat valt echter allemaal niet binnen de mogelijkheden van een procedure tegen een verleende omgevingsvergunning.
Een paar van de beroepsgronden van eiser gaan nog over de gevolgen van het bouwplan voor de natuur. Als het al zo zou zijn dat de natuurgevolgen onvoldoende zijn onderzocht, staat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat de omgevingsvergunning om die reden zou worden vernietigd. De bestuursrechter vernietigt een besluit namelijk niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De wetgever heeft hiermee de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit dus niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser. Op basis van de stukken en wat besproken is op de zitting komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen nabijgelegen Natura 2000-gebieden deel uitmaken van de leefomgeving van eiser. Daarom is er in dit geval geen sprake van verwevenheid van het individuele belang van eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving met de algemene belangen die de ten tijde van de vergunningverlening geldende Wet natuurbescherming beoogde te beschermen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de kadasterkosten of van de overige verzochte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 11 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, onder a
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk (…)
Artikel 2.10, eerste lid
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
-
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
-
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
-
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
-
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
-
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
Bestemmingsplan “Bedrijvenpark [plaats 1] ”
Artikel 11.2, onder a, Parkeren
In het geval van nieuwbouw of functiewijziging waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen. Hiertoe dienen de parkeernormen in acht te worden genomen zoals opgenomen in de Parkeernota gemeente Loon op Zand.
Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand
|
Matig stedelijk |
|||||
|
Functietype |
Eenheid |
Centrumgebieden Loon op Zand en [plaats 1] |
Rest bebouwde kom Loon op Zand en [plaats 1] |
||
|
Bedrijfsverzamelgebouw |
100 m2 BVO |
1,1 |
0,2 |
1,6 |
0,3 |