RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4900
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 8 augustus 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over de opvang van Oekraïense vluchtelingen in de gemeente Dongen, waaronder de opvang op [locatie 1] inclusief tuinhuis en de opvang op [locatie 2], over een periode van 2022 tot en met de datum van het verzoek.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.1
Is het beroep ontvankelijk?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 8 augustus 2025 ingediend. Het college moet binnen vier weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanvraag is ontvangen, beslissen op de aanvraag.2 Het college had dus uiterlijk op 5 september 2025 moeten beslissen. Niet gebleken is dat de beslistermijn rechtsgeldig is opgeschort. Eiser heeft voor 5 september 2025 namelijk niet schriftelijk ingestemd met uitstel van de beslistermijn en op het moment dat de beslistermijn voorbij is, kan deze niet meer opgeschort worden.3 De termijn waarbinnen het college moet beslissen is dan ook voorbij. Eiser heeft het college op 9 september 2025 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 23 september 2025 om 13:46 beroep heeft ingesteld tegen het niet op tijd beslissen op zijn aanvraag van 8 augustus 2025. Hierna is het college per e-mail van 23 september 2025 om 16:50 en de e-mail van 25 september 2025 om 20:39 en later telefonisch (zoals blijkt uit de e-mail van het college van 2 oktober 2025 om 16:59 alsnog met eiser in overleg getreden over een (concrete) termijn waarbinnen een beslissing genomen kan worden. Bij e-mail van 6 februari 2026 om 14:58 verzoekt het college, na overleg met eiser op dezelfde dag, aan de rechtbank om geen nadere beslistermijn te bepalen voor het nemen van een besluit op de aanvraag, aangezien het college in goed overleg is met eiser en met eiser concrete afspraken gemaakt worden om tot een bevredigende afhandeling van de aanvraag te komen. Eiser heeft per e-mail van 20 mei 2026 om 13:16 aangegeven dat dat hij akkoord gaat met het verzoek van het college aan de rechtbank om nog geen nadere beslistermijn te bepalen. De rechtbank heeft eiser vervolgens bij brief van 15 juni 2026 en 14 juli 2026 gevraagd of hij aanleiding ziet het beroep tegen het niet op tijd beslissen in te trekken. Eiser heeft het beroep niet ingetrokken. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het niet op tijd beslissen op zijn aanvraag van 8 augustus 2025, omdat hij niet meer wil dat de rechtbank alsnog een termijn bepaalt waarbinnen het college alsnog moet beslissen op zijn aanvraag.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat het overleg tussen het college en eiser, over de termijn waarbinnen een beslissing genomen kan worden, plaats heeft gevonden na het instellen van het beroep door eiser en eiser naar aanleiding van die overleggen akkoord is gegaan met het niet opleggen van een nadere beslistermijn aan het college, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht aan eiser moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 11 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.