ECLI:NL:RBZWB:2026:8756

Datum uitspraak
28-08-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
BRE 25/4720
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

KINDER. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk is in beroep, omdat zij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. In het beroep van eiser komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 juist heeft vastgesteld. Het beroep van eiser is ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4720 KINDER

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [plaats] , samen eisers

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),

en

de Dienst Toeslagen (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van compensatie voor de toeslagenjaren 2007, 2008 en 2009 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eisers zijn het niet eens met de hoogte van de toegekende compensatie. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van het recht op compensatie.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk is in beroep, omdat zij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. In het beroep van eiser komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen met het ingediende dossier heeft voldaan aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 juist vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en onder 3 een verwijzing naar het wettelijk kader in de bijlage. De vraag of eiseres ontvankelijk is in beroep, wordt beantwoord onder 4. De gronden van eiser staan onder 5. De inhoudelijke beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Heeft de Dienst Toeslagen voldaan aan artikel 8:42 van de Awb en is de hoogte van de toegekende compensatie juist vastgesteld? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben samen vier kinderen. Eiser heeft op 24 maart 2008 kinderopvangtoeslag aangevraagd met ingang van 1 januari 2007 en ontvangen voor de opvang van de twee jongste kinderen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft over de jaren 2007, 2008 en 2009 (voorschotten) kinderopvangtoeslag toegekend. De kinderopvangtoeslag is per 20 december 2009 stopgezet.

2.1.

Eiser heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.

Het verzoek van eiser om compensatie is op basis van de lichte toets1 afgewezen.

2.2.

Met het besluit van 16 november 2023 (kenmerk UHT-DCHA, primair besluit) heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

2.3.

Met het bestreden besluit van 31 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en wel in die zin dat compensatie is toegekend vanwege de hardheidsregeling voor toeslagjaar 2007 en compensatie vanwege vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Er is geen sprake van een onterechte Opzet/Grove Schuld (O/GS)-kwalificatie voor de jaren 2007, 2008 en 2009. Uit de berekening volgt een totaalbedrag aan vergoedingen van € 31.446,-.

2.4.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.5.

De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar dochter [dochter] en bijgestaan door de gemachtigde van eisers, en mr. [gemachtigde] namens de Dienst Toeslagen.

2.7.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.

Ontvankelijkheid beroep van eiseres

4. Alvorens toe te komen aan de inhoud van het bestreden besluit, dient de rechtbank

eerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.1.

Eisers zijn van mening dat eiser én eiseres direct belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, omdat zij samen een economische, sociale en juridische eenheid vormen.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiseres door het bestreden besluit niet rechtstreeks in haar belangen getroffen en is zij daarom geen belanghebbende bij dit besluit. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser degene is die kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en ook om herbeoordeling heeft gevraagd. Het primaire besluit, waarin aan eiser is medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2009 is naar aanleiding van eisers bezwaar gegrond verklaard, waarna aan hem alsnog compensatie is toegekend voor de jaren 2007, 2008 en 2009. Het bestreden besluit raakt daarom uitsluitend het belang van eiser rechtstreeks. Dat eiseres ten tijde van de genoten kinderopvangtoeslag als toeslagpartner werd aangemerkt en nog altijd met eiser is getrouwd, maakt niet dat zij een rechtstreeks, eigen belang heeft bij het bestreden besluit. Daarin is immers alleen op de bezwaren van eiser beslist. Voor zover eiseres een financieel belang heeft bij toekenning van (meer) compensatie aan eiser, is dat een afgeleid belang.

4.3.

Gelet op het voorgaande zal het beroep van eiseres niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beoordeling van het beroep van eiser

Standpunt van eiser

5. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hij is van mening dat de Dienst Toeslagen ten onrechte in de compensatieberekening heeft gerekend met bedragen van € 2.162,- (2007), € 6.473,- (2008) en € 5.988,- (2009). Dit had respectievelijk € 13.248,- (2007), € 13.422,- (2008) en € 6.224,- (2009) moeten zijn. Als de hogere bedragen worden vermeerderd overeenkomstig de standaard is het te compenseren bedrag substantieel hoger dan het toegekende totale bedrag van € 31.448,-. Eiser stelt zich ter zitting op het standpunt dat de Dienst Toeslagen niet voldaan heeft aan artikel 8:42 van de Awb, omdat een onvolledig en onleesbaar dossier is ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de Dienst Toeslagen voldaan aan artikel 8:42 van de Awb?

6. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de Dienst Toeslagen een onleesbaar en niet werkbaar dossier heeft aangeleverd. Daar komt bij dat het toegestuurde dossier niet compleet is, omdat de gemachtigde onder andere niet beschikt over de producties 5.2700001 en 5.0900001 waar in het verweerschrift naar is verwezen. Ook bestaat een productie soms uit meerdere pagina’s. De gemachtigde wil de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen met een doorlopende paginanummering onderaan de pagina en een inventarislijst die hierop aansluit.

6.1.

De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat in de bezwaarfase een bezwaardossier is toegestuurd. In dit geval is in de beroepsfase ook het ouderdossier verstrekt, waar veel gemachtigden en ouders prijs op stellen. Verstrekking van zowel het bezwaardossier als het ouderdossier maakt het pakket stukken omvangrijk.

6.2.

De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen een inventarislijst en de op de procedure betrekking hebbende stukken heeft ingediend. In het verweerschrift is niet alleen verwezen naar een productie, maar is het betreffende processtuk ook omschreven. De producties beginnend met 5. (bv. 5.2700001) maken deel uit van het ouderdossier en de nummering daarvan staat links bovenaan de pagina. Van een professionele gemachtigde, die al geruime tijd toeslagenzaken behandeld, mag worden verwacht dat hij de processtukken kan duiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen een compleet en leesbaar dossier ingediend en hiermee voldaan aan het indienen van de op de procedure betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Dat de stukken niet doorlopend onderaan de pagina zijn genummerd, maakt dit niet anders.

Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de toegekende compensatie juist vastgesteld?

6.3.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.

6.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser recht heeft op compensatie op grond van de hardheidsregeling voor het toeslagjaar 2007 en vanwege vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2008 en 2009.

6.5.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of de Dienst Toeslagen in de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 de juiste bedragen heeft gehanteerd. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet worden beoordeeld welke terugvordering het gevolg is van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen of van hardheid van het wettelijk systeem.

6.6.

Eiser verwijst naar bedragen in de compensatieberekening zonder de component binnen de berekening te benoemen. De Dienst Toeslagen heeft de grond van eiser aangemerkt als een betwisting van de bedragen in component D. Eiser heeft dit niet betwist. Uit de stukken volgt dat bij de componenten A en D steeds dezelfde bedragen zijn genoemd.

Toeslagjaar 2007

6.7.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat over het toeslagjaar 2007 geen verschil van mening meer bestaat. De rechtbank beschouwt deze mededeling als intrekking van de beroepsgrond over het toeslagjaar 2007. De toegekende compensatie over dit toeslagjaar behoeft daarom geen bespreking meer.

Toeslagjaar 2008

6.8.

De rechtbank constateert dat eiser in april 2008 een aanvraag heeft ingediend voor kinderopvangtoeslag voor twee kinderen met ingang van 1 januari 2007. Daarop heeft de Belastingdienst/Toeslagen twee beschikkingen genomen met dagtekening 7 april 2008, namelijk een voorschot voor 2007 en een voorschot voor 2008. Vervolgens is in april 2008 aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgegeven dat de kinderopvangtoeslag voor het derde kind (geboortejaar 1994) voor het toeslagjaar 2007 per 7 september 2007 wordt stopgezet. Volgens eiser had deze stopzetting ook voor het jaar 2008 moeten worden doorgevoerd. De rechtbank volgt eisers standpunt niet. De stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2007 zonder vermelding waarom de toeslag voor dat jaar is stopgezet, hoefde niet automatisch tot een stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008 te leiden. Vaststaat dat de stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor het derde kind voor het jaar 2008 pas op 2 oktober 2008 is doorgegeven en dat dit heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling van het recht op kinderopvangtoeslag naar een bedrag van € 6.473,- en terugvordering van te veel uitbetaalde voorschotten. Dit betreft een reguliere wijziging. Er was dus geen sprake van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.

6.9.

In 2010 is een tweede neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2008 gevolgd, namelijk van € 6.473,- naar nihil. De Dienst Toeslagen heeft erkend dat bij deze neerwaartse bijstelling sprake was van vooringenomen handelen. Het voorschot is namelijk gewijzigd naar nihil vanwege het niet ontvangen van informatie over de definitief gemaakte opvangkosten, terwijl niet kan worden vastgesteld dat uitvraagbrieven zijn verzonden aan eiser. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen bij de berekening van de compensatie over 2008 voor component D terecht is uitgegaan van het bedrag van € 6.473,-. De grond van eiser slaagt niet.

Toeslagjaar 2009

6.10.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat op basis van de gegevens uit 2008 in december 2008 een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 is toegekend van € 6.224,-. Naar aanleiding van door eiser doorgegeven reguliere wijzigingen (in genoten opvang en geschat inkomen) is het voorschot voor 2009 enkele malen gewijzigd. De laatste wijziging betrof de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 20 december 2009. Het recht op een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 is hierdoor vastgesteld op € 5.988,-. Dit voorschot is net als in 2008 neerwaarts bijgesteld naar nihil vanwege het niet ontvangen van informatie over de definitief gemaakte opvangkosten, terwijl niet kan worden vastgesteld dat uitvraagbrieven aan eiser zijn verzonden. De wijziging naar nihil moet daarom worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De Dienst Toeslagen is bij de berekening van de compensatie over 2009 voor component D terecht uitgegaan van het bedrag van € 5.988,-.

Ook deze grond van eiser slaagt niet.

6.11.

De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 juist heeft vastgesteld. Het beroep van eiser zal daarom ongegrond worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk:

- verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 28 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2, eerste lid

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 2:4, eerste lid

Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

Artikel 8:42, eerste lid

Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.

Wet hersteloperatie toeslagen

(geldend vanaf 1 januari 2024)

Artikel 2.1. Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag

1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:

a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of

b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.

(…)

4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »