RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7985 en 24/7986
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Op 26 november 2024 heeft [persoon] als gemachtigde van belanghebbende beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2024. De beroepen zien op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met aanslagnummer [aanslagnummer] .
Op 12 februari 2025 heeft [persoon] laten weten dat belanghebbende op 7 januari 2025 in staat van faillissement is verklaard. Als curator is mr. [curator] aangewezen.
De rechtbank heeft mr. [curator] op 10 april 2025 in de gelegenheid gesteld aan te geven of hij als curator de beroepsprocedure wenst over te nemen. De rechtbank heeft de curator op 14 mei 2025 nogmaals een brief gestuurd en verzocht om een reactie. Op 12 juni 2025 is nogmaals een aangetekende brief naar de curator gestuurd met het verzoek om uiterlijk 10 juli 2025 te reageren. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 13 juni 2025 om 08:50 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. De rechtbank heeft geen reactie van de curator ontvangen.
Op 20 juni 2025 heeft [persoon] de rechtbank laten weten weer als gemachtigde de procedure voort te zetten. Op 19 december 2025 heeft de rechtbank hem bericht om uiterlijk 16 januari 2026 een machtiging namens de curator te overleggen. De griffier heeft vervolgens op 19 januari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst. [persoon] is hierbij in de gelegenheid gesteld om de machtiging van de curator te overleggen binnen twee weken na dagtekening van het bericht. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan [persoon] verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat hij dit bericht op 19 januari 2026 om 08:48 uur heeft ontvangen1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Vaststaat dat belanghebbende in staat van faillissement is verklaard. In de wet is bepaald dat dan de curator bij de vervulling van zijn taak belanghebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.2 Hieruit volgt dat [persoon] in beginsel niet gerechtigd is om de procedure namens belanghebbende voort te zetten. [persoon] kan alleen als gemachtigde optreden als hij daartoe gemachtigd is door de curator.
De rechtbank heeft de curator per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om de procedure over te nemen. De brief aan curator is volgens de Track & Trace-gegevens van PostNL op 13 juni 2025 om 08:50 uur bezorgd en er is voor ontvangst getekend. De rechtbank heeft geen reactie van curator ontvangen. Daarnaast heeft de rechtbank [persoon] nog in gelegenheid gesteld om namens de curator een machtiging in te dienen. [persoon] heeft namens de curator ook geen machtiging ingediend.
Aangezien [persoon] niet als gemachtigde van belanghebbende bevoegd is om het beroep voort te zetten, hij niet is gemachtigd door de curator en de curator de procedure niet heeft overgenomen, is het beroep niet langer bevoegdelijk ingesteld. De rechtbank zal om die reden de beroepen niet-ontvankelijk verklaren. De beroepen worden niet inhoudelijk behandeld.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.M. Rosta, griffier, op 7 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.