ECLI:NL:RBZWB:2026:8077

Datum uitspraak
23-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/448090 FA RK 26-2444
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Provisionele voorziening. overeenstemming ter zitting.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/448090 FA RK 26-2444

datum uitspraak: 23 juli 2026

beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. R. Wouters, gevestigd te Middelburg,

en

[de man],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. Kalle, gevestigd te Middelburg.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 12 mei 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 15 juli 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- het op 17 juli 2026 ontvangen aanvullend verweerschrift.

1.2 Bij verzoekschrift ontvangen op 12 mei 2026 is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/448086 FA RK 26-2442. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot kinderbijdrage ter beoordeling voor.

1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 20 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

1.4. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uitgenodigd voor een kindgesprek. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2.

Uit hun relatie zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,

2. [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013.

3 Het verzoek

3.1.

De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man voor de duur van het geding, met ingang van l mei 2026, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige kinderen zal voldoen van € 270,00 per kind per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.2.

De man voert verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige zorgregeling vast te stellen tussen de man en de twee minderjarige kinderen van één weekend per veertien dagen van vrijdag 16:00 uur, waarbij vader de kinderen bij moeder ophaalt, tot zondag 20:00 uur, waarbij moeder de kinderen bij vader ophaalt, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen, welke regeling partijen in onderling overleg nader moeten vaststellen.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot kinderalimentatie samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

Bij aanvang van de zitting hebben partijen medegedeeld overeenstemming te hebben bereikt over de voorliggende verzoeken. Partijen zijn het volgende voor de duur van het geding overeengekomen:

  • De man betaalt met ingang van 1 juni 2026 € 200,= per kind per maand aan de vrouw ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen.

  • De ontstane achterstand over de maanden juni en juli 2026 lost de man af door de komende maanden in totaal € 100,= per maand af te lossen, tot de achterstand is afgelost.

  • Zolang de man niet over een eigen woonruimte beschikt, vinden de omgangsmomenten plaats in onderling overleg door partijen te bepalen. Dit geldt ook voor de vakanties.

  • Vanaf het moment dat de man wel over eigen woonruimte beschikt zal als omgangsregeling gelden de regeling zoals door de man verzocht, te weten dat de man en de twee minderjarigen omgang met elkaar hebben één weekend per veertien dagen van vrijdag 16:00 uur, waarbij vader de kinderen bij moeder ophaalt, tot zondag 20:00 uur, waarbij moeder de kinderen bij vader ophaalt, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen, welke regeling partijen in onderling overleg nader moeten vaststellen.

4.4.

Deze overeenstemming komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Voorts is niet gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen de voorlopige afspraken verzet. De afspraken zullen derhalve worden overgenomen.

4.5.

De rechtbank begrijpt uit de bereikte overeenstemming dat partijen het meer of anders verzochte hebben bedoeld in te trekken. Deze verzoeken zullen worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist:

5.1.

dat de man de minderjarigen [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, en [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar tot het moment dat de man over een eigen woonruimte beschikt in onderling overleg door partijen te bepalen. Dit geldt ook voor de vakanties. Vanaf het moment dat de man wel over eigen woonruimte beschikt zijn de man en de minderjarigen gerechtigd tot omgang met elkaar één weekend per veertien dagen van vrijdag 16:00 uur, waarbij vader de kinderen bij moeder ophaalt, tot zondag 20:00 uur, waarbij moeder de kinderen bij vader ophaalt, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen, welke regeling partijen in onderling overleg nader moeten vaststellen;

5.2.

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van 1 juni 2026 wordt vastgesteld op € 200,= per kind per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. De man zal de ontstane achterstand over de maanden juni en juli 2026 met in totaal € 100,= per maand aflossen tot het moment dat de achterstand is afgelost;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, (kinder)rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »