RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449545 / JE RK 26-1082
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1].
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] is erkend door de vader.
Bij beschikking van 24 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 februari 2026 en tot 24 februari 2027. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 februari 2026 en tot 24 augustus 2026.
[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging op [de accommodatie] in [plaats].
3 Het verzoek
De GI verzoekt, naar de kinderrechter begrijpt, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] is een beperkte jongen, met een complexe en intensieve zorg- en opvoedvraag. Dat zal in de toekomst niet veranderen. Op dit moment is er geen plek dichter bij de ouders die de zorg kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] zit goed bij [de accommodatie]. Hij maakt kleine stapjes vooruit. De moeder heeft aan de GI aangegeven dat ze het eens is met het verzoek. Het is niet het doel van de moeder dat [minderjarige] terug thuis komt wonen. De moeder wil wel dat [minderjarige] in de weekenden thuis kan komen.
De vader geeft aan dat hij het eens is met het verzoek van de GI. De vader ziet dat [minderjarige] zich ontwikkelt bij [de accommodatie]. De vader wil [minderjarige] graag in het weekend thuis ontvangen. De vader werkt hard aan het kindvriendelijk maken van zijn huis en aan het verkrijgen van gezag.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:265c lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Procespositie van de vader
In artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. Een belanghebbende in de zin van genoemd artikel heeft specifieke processuele rechten en bevoegdheden, zoals het recht om het verzoek en de beschikking toegezonden te krijgen en hoger beroep in te stellen. Nu de vader geen gezag over [minderjarige] heeft, is het uitgangspunt, ook gelet op vaste jurisprudentie, dat zijn rechten en verplichtingen niet rechtstreeks worden geraakt door de in deze zaak te nemen beslissing. De kinderrechter merkt daarom de vader daarom aan als informant.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.1 De kinderrechter licht dit als volgt toe.
[minderjarige] verblijft nu een jaar bij [de accommodatie]. Het is de kinderrechter gebleken dat het goed gaat met [minderjarige] bij [de accommodatie]. [minderjarige] maakt kleine stappen in zijn ontwikkeling. Ook de ouders beamen dat [minderjarige] goed zit bij [de accommodatie]. [minderjarige] heeft veel kindeigenproblematiek en een zeer specifieke zorgbehoefte. [minderjarige] heeft behoefte aan nabijheid, structuur en vaste kaders. Zodra niet aan deze behoeften wordt voldaan stagneert [minderjarige]’s ontwikkeling. De ouders kunnen hem deze benodigde zorgbehoefte niet (continu) bieden in de thuissituatie. [de accommodatie] biedt [minderjarige] wel deze nodige stabiliteit. Dit zien de ouders ook in. Gelet op het voorgaande is het in het belang van [minderjarige] dat zijn verblijf bij [de accommodatie] wordt gecontinueerd.
Beide ouders willen graag dat [minderjarige] in de weekenden bij hen thuis kan komen. Het is aan de GI om de komende periode te onderzoeken of dit haalbaar is en wat er voor nodig is om aan deze wens te voldoen. Daarbij is het belangrijk dat de omgang op een veilige manier kan plaatsvinden. De vader en de moeder moeten op een passende manier reageren op [minderjarige]. Aan de vaderszijde is het ook belangrijk dat zijn huis veilig is om [minderjarige] te ontvangen. Aan de moederszijde moet aandacht zijn voor de belastbaarheid en draagkracht van de moeder.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 augustus 2026 tot tot 24 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.