RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449994 / JE RK 26-1181
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. R.F.P. Scheele te Numansdorp,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],advocaat: mr. V.C. Andeweg te Breda (onttrokken),
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juli 2026;
-
het op 16 juli 2026 van mr. Scheele ontvangen verweerschrift, met producties;
-
de pleitnota van mr. Scheele.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 23 april 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 23 april 2026 tot 23 juli 2026.
[minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder. Zij heeft tijdelijk, vanaf 27 maart 2026 tot 19 juni 2026, bij de vader verbleven. Momenteel verblijft [minderjarige] weer bij de moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad -samengevat- aangevoerd dat er al enige tijd zorgen bestonden over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Het ging daarbij om de hygiëne van de woning, het aanbrengen door de moeder van structuur in haar leven, het nakomen van hulpverleningsafspraken en haar bereikbaarheid. De moeder heeft de hygiëne van de woning inmiddels op orde, maar het is nog steeds niet duidelijk hoe [minderjarige] met drugs in aanraking is gekomen. Hierdoor kan de Raad niet vaststellen of en in hoeverre de risico's die tot dit incident hebben geleid inmiddels zijn weggenomen.
Daarnaast ziet de Raad dat de samenwerking tussen de ouders erg onder druk staat. De ouders verschillen van mening over belangrijke opvoedingsbeslissingen, waaronder de schoolinschrijving, de contactregeling en de opvoedsituatie bij beide ouders. De communicatie is wantrouwend. Het lukt de ouders hierdoor onvoldoende om gezamenlijk beslissingen te nemen die aansluiten bij de belangen van [minderjarige].
De Raad signaleert wel aanwijzingen voor een positieve ontwikkeling, maar is van mening dat er op dit moment slechts sprake is van een prille stijgende lijn. De moeder geeft aan haar leven meer op orde te hebben en staat open voor hulpverlening, maar deze ontwikkeling is nog onvoldoende bestendig gebleken. De ingezette hulpverlening bevindt zich nog in de opstartfase, eerdere ingezette begeleiding heeft slechts beperkt resultaat opgeleverd en er is nog onvoldoende zicht op de mate waarin de moeder de noodzakelijke stabiliteit, structuur en veiligheid op langere termijn kan bieden. De Raad vindt het daarom van belang dat de positieve ontwikkeling zich eerst gedurende langere tijd voortzet en door de betrokken hulpverlening wordt bevestigd, voordat kan worden geconcludeerd dat de opvoedsituatie duurzaam is verbeterd.De GI dient de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te blijven monitoren en regie te voeren en daarnaast is het van belang dat ouders ondersteund worden bij het verbeteren van hun onderlinge communicatie en samenwerking. Een ondertoezichtstelling voor de duur van 9 maanden vindt de Raad een passende termijn, omdat deze termijn nodig is om de positieve ontwikkeling bij de moeder te bestendigen, de samenwerking tussen de ouders te verbeteren en de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] blijvend te monitoren.
5 De standpunten van de belanghebbenden
Namens de GI is naar voren gebracht dat er meerdere hulpverleningstrajecten lopen en dat niet uitgesloten wordt dat van enige overlapping sprake is. Daar moet nog goed naar gekeken worden. Daarnaast dient de aandacht uit te blijven gaan naar de communicatie en samenwerking tussen de ouders. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad dat een ondertoezichtstelling nodig is om te kunnen (blijven) werken aan de doelen, zoals door de Raad geformuleerd. Indien de ouders zich meewerkend blijven opstellen, zoals op dit moment het geval is, ziet de GI geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling. De hulpverlening kan dan in het vrijwillig kader worden voortgezet.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing daarvan is -samengevat- aangevoerd dat de voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken, omdat (a) [minderjarige] is opgenomen geweest in het ziekenhuis naar aanleiding van intoxicatie door drugs, (b) de vader [minderjarige] bij zich houdt en geen contact biedt met de moeder, (c) de vader niet meewerkt aan de beoogde vrijwillige hulpverlening en (d) onduidelijk is of de ouders ouderschap gezamenlijk zullen vormgeven. Het doel ‘positieve ontwikkeling van de moeder’ is nooit een grond geweest voor de voorlopige ondertoezichtstelling. Echter wordt deze doelstelling door de Raad om volstrekt onduidelijke redenen wel aangehaald in zijn rapport, maar niet verder onderbouwd. Uit de rapportage van de Raad blijkt dat er geen zorgen meer zijn over de hygiëne in de woonsituatie van de moeder en dat nog steeds onduidelijk is hoe [minderjarige] met de drugs in aanraking is gekomen. De Raad geeft echter niet aan welke functie een ondertoezichtstelling heeft om daarover duidelijkheid te verschaffen. In dat verband wordt benadrukt dat de moeder in de eerste plaats erg is geschrokken van het voorval en dat er geen enkel verband is met de zorg- en opvoedsituatie bij haar, aangezien zij geen drugs gebruikt. De moeder acht de kans groot dat [minderjarige] op de kinderspeelplaats vlakbij huis iets in haar mond heeft gestopt. Er is geen enkel bewijs dat de moeder er iets mee te maken heeft.
Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige], aldus de moeder.
De betrokken hulpverlening is tevreden over de woning en de opvoedomgeving van de moeder. Ook is er niets waaruit blijkt dat de moeder middelen gebruikt of dat zij zich daarmee op andere wijze in laat. De ouders hebben in onderling overleg gezamenlijk besloten dat [minderjarige] weer bij de moeder zou gaan wonen en [minderjarige] gaat nog steeds in [woonplaats 1] naar de school waar zij al was ingeschreven. Verder zijn er op dit moment geen onderwerpen [minderjarige] betreffende waarover door de ouders discussie wordt gevoerd. De moeder gaat er vanuit dat door de vader meegewerkt wordt aan de hulpverlening.
Een ondertoezichtstelling is een onevenredig bezwarende maatregel, ook gezien alle hulpverlening die al is ingezet en de moeder daarnaast 3,5 dag per week werkt. Primair is de moeder van mening dat het verzoek van de Raad moet worden afgewezen. Subsidiair stelt de moeder zich op het standpunt dat het verzoek voor maximaal 3 maanden kan worden toegewezen, omdat zij de zorgsignalen wel kan begrijpen.
De vader is van mening dat een ondertoezichtstelling wel nodig is, zodat de GI nog een periode mee kan kijken. De overdrachtsmomenten verlopen nagenoeg probleemloos en er is positief contact tussen hem en [minderjarige]. De communicatie tussen hem en de moeder verloopt via email. Zolang het goed blijft gaan is er niets aan de hand, maar het is wel belangrijk dat er langer zicht blijft.
6 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Blijkens de rapportage van de Raad is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige], omdat er zorgen zijn over de bestendigheid van de positieve ontwikkeling bij de moeder, er onduidelijkheid is over de opvoedsituatie bij de moeder en gezien de ernstige communicatieproblemen tussen de ouders waardoor de samenwerking rondom [minderjarige] onvoldoende is. Hoewel sprake is van positieve ontwikkelingen is de kinderrechter met de Raad van oordeel dat er op dit moment nog wel zorgen zijn die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. De positieve ontwikkelingen zijn nog pril, beide ouders staan weliswaar inmiddels open voor hulpverlening maar gezien de wijze waarop de communicatie tot dusver verloopt en de praktische problemen die gelet op hun beider situaties spelen, is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk is.
De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht van de GI stellen. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot een periode van vier maanden, te weten tot 23 november 2026 en de beslissing op het resterende verzoek van de Raad aan te houden tot de hierna in het dictum vermelde PRO FORMA datum. De GI wordt verzocht uiterlijk op deze datum schriftelijk verslag te doen van het verloop van de ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening, onder toezending van een afschrift van dat verslag aan de Raad en de advocaten van de ouders. De Raad wordt verzocht uiterlijk één week na indiening van het verslag van de GI aan te geven of hij het resterende verzoek al dan niet handhaaft. Indien het resterende verzoek gehandhaafd wordt, zal voor de afloopdatum van de ondertoezichtstelling opnieuw een datum bepaald worden om het resterende verzoek van de Raad mondeling te behandelen.
De kinderrechter zal de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 23 juli 2026 tot 23 november 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende verzoek van de Raad aan tot donderdag 15 oktober 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI en het bericht van de Raad, een en ander zoals hiervoor in rechtsoverweging 6.3 is weergegeven;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
|
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 3 augustus 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.