RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449514 / FA RK 26-3201
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de rechtbank over gezag
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026,
-
het e-mailbericht van de vader van 16 juli 2026.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. De vader heeft in voornoemd e-mailbericht aangegeven dat de minderjarigen afzien van een gesprek met de kinderrechter.
2 De feiten
De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op 11 juni 2026 overleden. Zij was alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft beide minderjarigen erkend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.
De vader heeft in voornoemd e-mailbericht aangegeven dat hij wil worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3 Het verzoek
De Raad verzoekt om vader te belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
4 De beoordeling
Als gevolg van het overlijden van de moeder wordt er sindsdien niet voorzien in het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Dat betekent dat er sprake is van een gezagsvacuüm. De Raad heeft onderzoek gedaan en acht het in het belang van de minderjarigen dat de vader wordt belast met het ouderlijk gezag over hen. De vader en de minderjarigen staan achter dit verzoek.
Op grond van artikel 1:253g, eerste lid, BW bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat de rechter dit doet op verzoek van de Raad, de overlevende ouder of ambtshalve. Volgens het derde lid wordt het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich ertegen verzet om de vader te belasten met het ouderlijk gezag over hen. De vader heeft altijd samen met de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen gedragen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen sinds hun geboorte in gezinsverband met de vader. Daarom acht de rechtbank het juist in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de vader met het gezag over hen wordt belast en dit doet het meest recht aan de (verdrietige en) huidige situatie. De rechtbank zal daarom de vader belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.1
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vader wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026, in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.