RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446326 FA RK 26-1487
datum uitspraak: 21 juli 2026
nadere beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S. Klootwijk,
en
[de man] ,
thans verblijvende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.Ch. Osté.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2026 en alle daarin vermelde stukken.
2 De nadere beoordeling
Bij de hiervoor vermelde beschikking is, in wijziging op het ouderschapsplan, bepaald dat de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige] ), haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Daarnaast is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] in de periode van 20 juli 2026 tot en met 7 augustus 2026 naar Istanbul (Turkije) te reizen en daar te verblijven. De verzoeken van de man met betrekking tot het beheer van het paspoort van [minderjarige] en een reisverbod zijn afgewezen. Verder heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] verwezen voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA), zoals vermeld in de beschikking van 7 juli 2026. Het loket is verzocht om uiterlijk op 12 januari 2027 de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het UHA-traject bij de griffie van de rechtbank in te dienen en zo nodig ook toe te sturen naar de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarbij is een (voorwaardelijk) verzoek aan de Raad opgenomen. De behandeling van en de beslissing op het verzoek met betrekking tot de zorg-/contactregeling is aangehouden in afwachting van de hulpverlening.
Tot slot is bepaald dat de beoordeling van en de beslissing op het verzoek om kinderalimentatie zal volgen in een aparte, latere beschikking. De geplande uitspraakdatum hiervoor is 21 juli 2026.
De rechtbank zal hierna beslissen op het volgende verzoek van de vrouw:
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 500,= per maand, althans een in goede justitie te bepalen bijdrage, met ingang van
1 juni 2025 dan wel een in goede justitie te bepalen datum, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen.
Kinderalimentatie
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. [minderjarige] woont al geruime tijd niet meer bij de man maar bij de vrouw, wat maakt dat het ouderschapsplan niet meer actueel is.
De man voert verweer. De man wijst de rechtbank erop dat de vrouw de omvang van de behoefte van [minderjarige] niet heeft onderbouwd. Hij heeft in dat kader verwezen naar de afspraak van partijen over de kosten van [minderjarige] in het ouderschapsplan. De man wil wel bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van [minderjarige] , maar heeft niet de draagkracht voor het betalen van een bedrag van € 500,= per maand. De man is van mening dat de rechtbank de door hem te betalen bijdrage dient te beperken tot € 50,= per maand.
Beoordeling
Op basis van de stukken en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] , anders dan in het ouderschapsplan uit 2021 is vermeld, bij de vrouw woont en niet meer bij de man. Met deze verandering in de verblijfplaats van [minderjarige] heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die maakt dat een onderzoek dient plaats te vinden naar de behoefte van het kind en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de eventueel toe te wijzen kinderalimentatie beoordelen.
De vrouw stelt dat voor de ingangsdatum moet worden uitgegaan van 1 juni 2025. Volgens de vrouw wordt vanaf die datum haar Participatiewet-uitkering gekort met € 200,= per maand. Zij heeft op de zitting aanvullend gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de man met ingang van 1 juni 2025 met € 200,= per maand zal bijdragen in de kosten van [minderjarige] . De man voert verweer. De man betwist gemotiveerd dat sprake is van een dergelijke afspraak. Wat betreft de ingangsdatum stelt hij dat moet worden gekozen voor de datum van de beschikking in deze procedure.
Op grond van artikel 1:402 BW heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting.
Volgens vaste rechtspraak geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
De rechtbank acht het redelijk om in deze zaak als ingangsdatum van de eventueel vast te stellen kinderalimentatie de datum van deze beschikking te hanteren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de stukken in het dossier blijkt dat namens de vrouw bij brief van 26 januari 2026 voor het eerst aanspraak is gemaakt op vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie, niet al in juni 2025. In de brief van 26 januari 2026 wordt met geen woord gerept over een afspraak dat de man met ingang van 1 juni 2025 een bijdrage zal betalen. Daarbij komt verder bij dat de vrouw zelf pas op 12 juni 2026 inzage heeft gegeven in haar inkomen, door overlegging van haar uitkeringsspecificaties van de maanden februari, maart en april 2026 (productie 8 van de vrouw). Tenslotte is op de zitting voldoende aannemelijk geworden dat de man in de afgelopen maanden zo nu en dan (weliswaar wisselende) bedragen heeft betaald aan de vrouw, bedragen die bedoeld waren als bijdrage in de kosten van [minderjarige] . Dit alles samengenomen vormt voor de rechtbank aanleiding om niet met terugwerkende kracht een (mogelijke) alimentatiebijdrage vast te stellen. Het feit dat de uitkering van de vrouw vanaf juni 2025 is gekort is daarvoor eveneens onvoldoende reden.
Behoefte
De vrouw verzoekt om een onderhoudsbijdrage van € 500,= per maand. Op de zitting is, zoals vermeld, van de zijde van de vrouw in aanvulling op haar schriftelijke verzoek nog aangevoerd dat partijen in juni 2025 zijn overeengekomen dat de man met ingang van de maand juni 2025 zal bijdragen met € 200,= per maand. Omdat er geen gegevens zijn van partijen uit de tijd van uiteengaan, kan de behoefte van [minderjarige] niet precies worden vastgesteld. Subsidiair heeft de vrouw betoogd dat de behoefte kan worden begroot op het vanuit 2021 naar 2026 geïndexeerde equivalent van € 115,= per maand, het bedrag dat in het ouderschapsplan is genoemd.
De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van [minderjarige] ten tijde van de verbreking van de relatie van partijen in 2021 becijferd is op € 97,50 per maand. De man heeft hierbij gewezen op artikel 7.1 van het ouderschapsplan uit 2021, waarin is vermeld dat de kosten van [minderjarige] door partijen conform de gangbare tabellen worden begroot op € 80,= tot € 115,= per maand. Volgens de man kan dan worden uitgegaan van een gemiddeld bedrag, dus € 97,50 per maand (2021). Het bestaan van een latere partijafspraak over de kinderalimentatie vanaf juni 2025 is door de man gemotiveerd betwist. Daaruit kan overigens ook niet de behoefte worden afgeleid.
De rechtbank stelt voorop dat de vrouw de behoefte van [minderjarige] niet heeft onderbouwd met concrete gegevens of door overlegging van een behoefteberekening. Ook is niet gebleken van een latere partijafspraak waaruit de behoefte van [minderjarige] kan worden afgeleid. Wel is in artikel 7.1 van het ouderschapsplan uit 2021 over de kosten van [minderjarige] het volgende vermeld: “De kosten van het kind zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op € 80-115 [netto inkomen €1000 dan € 80 / netto inkomen € 1250 dan € 115) en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen.” In artikel 7.2 van het ouderschapsplan is verder vermeld dat beide ouders in 2021 een inkomen rond het sociaal minimum hadden.
Ook is in dit artikel vermeld dat de vrouw toen studiefinanciering ontving, dat de man op dat moment alle kosten voor [minderjarige] droeg en dat partijen zodra het inkomen van de vrouw zal wijzigen in overleg zullen treden over de bijdrage van de vrouw. De rechtbank voegt hieraan toe dat [minderjarige] ten tijde van het opmaken van het ouderschapsplan haar hoofdverblijf had bij de man.
Gelet op de bewoordingen van artikel 7.1 van het ouderschapsplan volgt de rechtbank de man in zijn stelling dat de behoefte van [minderjarige] ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen in 2021 niet ter hoogte van een bedrag van € 500,= kan zijn geweest. In het ouderschapsplan worden voor de onderbouwing van deze stelling van de vrouw geen aanwijzingen gevonden. Wel is, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de tekst van artikel 7.1 en de informatie over het inkomen van partijen destijds, voldoende aannemelijk dat de behoefte van [minderjarige] ergens tussen de daarin de genoemde bedragen van € 80,= en
€ 115,= per maand heeft gelegen. De rechtbank zal de man volgen in zijn standpunt en gaat daarom uit van € 97,50 per maand. Geïndexeerd naar 2026 gaat het om een bedrag van
€ 122,= per maand.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van een kind becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij ieders draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht vrouw
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
Uit de door de vrouw overgelegde uitkeringsspecificaties (productie 8 van de vrouw) blijkt dat zij in 2026 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt van € 1.402,= bruto per maand. Gelet daarop neemt de rechtbank als uitgangspunt dat zij niet beschikt over enige draagkracht. Daar zijn partijen het ook over eens.
Draagkracht man
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
Volgens de namens de man overgelegde draagkrachtberekening (productie 7 van de man) is zijn inkomen € 1.980,= bruto per maand, nog te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Rekening houdend met inhoudingen voor twee pensioenpremies, een premie arbeidsongeschiktheid, de van toepassing zijnde heffingskortingen en verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, becijfert de man zijn NBI op € 1.966,= per maand. Overeenkomstig de draagkrachttabel alimentatie 2026 is de draagkracht van de man daarom € 50,= per maand.
Van de zijde van de vrouw is aangevoerd dat de man op dit moment onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomsten, omdat de man, naast inkomen uit arbeid, ook nog een eigen onderneming heeft. Volgens de vrouw is de verdiencapaciteit van de man dus hoger dan het inkomen zoals dat is vermeld op de door de man overgelegde salarisspecificaties. Bij gebreke van informatie over zijn inkomsten stelt de vrouw zich primair op het standpunt dat de man een draagkracht heeft van € 500,= per maand.
Subsidiair is van de zijde van de vrouw aangegeven dat kan worden aangesloten bij de door de man gestelde draagkracht van € 50,= per maand.
De rechtbank stelt voorop dat van de zijde van de man op de zitting uitdrukkelijk is betwist dat hij op dit moment nog inkomen heeft als zelfstandig ondernemer, naast het inkomen zoals dat is vermeld op de door hem overgelegde salarisspecificaties over de maanden februari tot en met april 2026 ( [werkgever] te [woonplaats] ). De man heeft op de zitting zijn arbeidsverleden uitgebreid toegelicht. Hij heeft onder meer verklaard dat hij een eigen onderneming heeft gehad, maar dat hij hiermee is gestopt omdat het niet goed ging. Van de zijde van de vrouw zijn daartegenover niet of onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de man naast zijn huidige inkomen andere inkomsten heeft of zou kunnen generen met een omvang die maken dat zijn draagkracht op een bedrag van € 500,= per maand kan worden gesteld. Gelet daarop zal de rechtbank voor bepaling van de hoogte van de draagkracht van de man uitgaan van de gegevens in de draagkrachtberekening van zijn zijde. Die gegevens zijn van de zijde van de vrouw op de zitting niet, althans onvoldoende betwist. Daarvan uitgaande is de draagkracht van de man € 50,= per maand, zoals hiervoor al is vermeld.
Draagkrachtvergelijking
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege omdat de totale draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.
Zorgkorting
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage. Volgens de vrouw is de zorgkorting, gelet op de huidige contactregeling, 5%.
De rechtbank stelt voorop dat partijen in het kader van de zitting in kort geding van
11 juni 2026 overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige contactregeling. Partijen hebben onder meer afgesproken dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar ieder weekend gedurende (minimaal) 4 uren. Vanwege de UHA-verwijzing heeft de rechtbank, zoals vermeld, de beslissing op het verzoek met betrekking tot de zorg-/contactregeling aangehouden. Alhoewel de man in verband met de zorg/-contactregeling eigen kosten voor [minderjarige] heeft, is ook duidelijk dat het tekort aan draagkracht van de onderhoudsplichtigen om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien vele malen groter is dan de zorgkorting waarop de man aanspraak kan maken. Daarom kan de man de zorgkorting niet verzilveren.
Gelet op het hiervoor staande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 50,= per maand.
Algemene overweging
De beslissing over de kinderalimentatie zal, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle partijen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat die beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
3 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt – in wijziging op artikel 7.2 van het ouderschapsplan uit 2021 – dat de man vanaf de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind [minderjarige] aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van
€ 50,= (vijftig euro) per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de zaak en iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorg-/contactregeling aan tot 12 januari 2027 in afwachting van de UHA-rapportage, zoals is opgenomen in de beschikking van 7 juli 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van Van der Veeken, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof’s-Hertogenbosch.