RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2957
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 31 maart 2026, waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Procesverloop
3. Op 7 februari 2024 heeft eiser de gemeente Oosterhout gemaild met de vraag of bij zijn woning een voorziening voor een laadpaal mogelijk is (kabel of kabelgoot) van zijn woning naar zijn eigen parkeerplaats.
Op 27 februari 2025 heeft een medewerker van objectbeheer wegen van de gemeente per e-mail aangegeven dat hij is nagegaan hoe wordt omgegaan met de tussen de voorzijde van de woning en het parkeervak aanwezige groenstrook, welke in beheer en in onderhoud is bij de gemeente. Een kabelgoot aan die zijde is niet mogelijk, omdat er geen groenstrook tussen het voetpad en het parkeervak mag zitten. Aan de achterzijde is er geen parkeervak en kan dus geen kabelgoot aangelegd worden.
Eiser heeft vervolgens op 28 maart 2025 bezwaar ingediend tegen de e-mail van 27 februari 2025. Op 31 maart 2026 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een beslissing waartegen bezwaar mogelijk is. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
Is de e-mail van 27 februari 2025 een besluit?
4. Uit de artikelen 7:1 en artikel 8:1 van de Awb volgt dat een belanghebbende alleen bezwaar kan maken tegen een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder besluit wordt verstaan. Dit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Een beslissing heeft onder andere rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen.
De rechtbank is van oordeel dat de e-mail van 27 februari 2025 niet meer is dan een feitelijke mededeling van een medewerker van objectbeheer wegen van de gemeente over de toepassing van de voorwaarden binnen de pilot kabelgoten in aansluiting op de door eiser gestelde vraag. De e-mail moet worden aangemerkt als een - niet op rechtsgevolg gerichte - mededeling van informatieve aard. Er wordt met de mededeling geen rechtsgevolg beoogd of tot stand gebracht. Daarmee strekt de mededeling niet tot het vaststellen, wijzigen of beëindigen van rechten en plichten en daarom is er geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat in het bestreden besluit gesproken wordt over een afwijzing van 27 februari 2025, maakt het voorgaande niet anders. De mededeling is volgens de rechtbank dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.
Omdat geen sprake is van een rechtsgevolg is ook geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiser kon dus geen bezwaar maken tegen de e-mail van 27 februari 2025. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank zal het beroep kennelijk ongegrond verklaren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 4 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.