RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 25-017030
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge (Noordeinde 16, 4481 BJ Kloetinge),
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
-
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 30 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank;
-
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 25 juni 2025 onder klaagster in beslag is genomen: een geldbedrag van 4000 euro;
-
de reactie van de officier van justitie;
-
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. A.H.J. Bals als gemachtigd advocaat van klaagster gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Namens klaagster is aangevoerd dat het openbaar ministerie tot teruggave van het geldbedrag heeft besloten. De raadsman verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat besloten is om het geldbedrag aan klaagster terug te gegeven, omdat er geen strafvorderlijk belang meer is.
2 De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op het geldbedrag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
Doordat het openbaar ministerie van oordeel is dat een strafvorderlijk belang niet (langer) aanwezig is en een last tot teruggave heeft gegeven, is het beslag geëindigd (artikel 134 lid 2 Strafvordering) en dient het openbaar ministerie het beslagen goed onverwijld terug te geven. Er bestaat daarom geen belang meer bij het beklag dat immers strekt tot teruggave van het beslagen goed. Klaagster zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag.
3 De beslissing
De rechtbank:
-verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).