RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12220167 \ VV EXPL 26-47
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. I. ter Steege van DAS Rechtsbijstand Amsterdam,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en bij welke gelegenheid [eisende partij] zijn eis heeft verminderd door niet langer aanspraak te maken op de wettelijke verhoging.
2 De feiten
[eisende partij] is op 1 maart 2025 bij [gedaagde partij] in dienst getreden als Chief Operating Officer voor 32 uur per week tegen een brutoloon van laatstelijk € 9.168,28 per maand exclusief emolumenten.
Wegens bedrijfseconomische omstandigheden heeft [gedaagde partij] het dienstverband met [eisende partij] met toestemming van het UWV opgezegd tegen 1 mei 2026.
Wegens (financiële) problemen is er voorafgaand aan het einde van het dienstverband een achterstand ontstaan in de loonbetaling door [gedaagde partij] aan [eisende partij] .
3 Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van a) € 36.139,04 bruto minus € 3.000,00 netto en b) € 2.891,12 bruto, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde partij] heeft de vordering erkend, althans niet of onvoldoende bestreden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Aan hoofdsommen vordert [eisende partij] achterstallig loon ten bedrage van € 36.139,04 bruto en achterstallig vakantiegeld ten bedrage van € 2.891,12 bruto (in totaal € 39.030,16). Op voormeld bedrag van € 36.139,04 bruto strekt in mindering een bedrag van € 3.000,00 netto in verband met een door [gedaagde partij] gedane betaling. De stellingen van [eisende partij] kunnen het gevorderde dragen en zijn door [gedaagde partij] niet weersproken. Het gevorderde moet daarom worden toegewezen.
De gevorderde en evenmin betwiste wettelijke rente over het achterstallige loon en het achterstallige vakantiegeld is eveneens toewijsbaar. Dat geldt ook voor de door [eisende partij] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.207,60.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
155,67 |
|
|
- griffierecht |
€ |
753,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.917,67 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van a) € 36.139,04 bruto minus het bruto equivalent van € 3.000,00 netto en b) € 2.891,12 bruto,
te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het opeisbaar worden van de gevorderde loon- en vakantiegeldbedragen, tot de dag van (volledige) betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.207,60 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.917,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.