RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers:
C/02/447370 / JE RK 26-686 ( [minderjarige 1] )
C/02/447378 / JE RK 26-688 ( [minderjarige 2] )
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] , België,
gemachtigde [gemachtigde] uit Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt in de zaak JE RK 26-686 de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.
De kinderrechter neemt in de zaak JE RK 26-688 de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 2] heeft eerder onder toezicht gestaan met ingang van 9 februari 2016 tot 9 februari 2018.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 16 juni 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 november 2025 een machtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 juni 2026. Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige 1] in een pleeggezin.
Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de kinderrechter een brede machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening en in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (voor drie dagen in de week) zoals is overwogen in rechtsoverweging 5.5 van die beschikking, tot 16 juni 2026. Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige 2] afwisselend in een gezinshuis en bij [gezinswoning] van [organisatie] .
3 De verzoeken
In de zaak JE RK 26-686
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak JE RK 26-688
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI de traject machtiging tot plaatsing van [minderjarige 2] gedurende dag en nacht voor +/- 4 dagen per week in het gezinshuis van [hulpverlening] en tevens voor +/- 3 dagen per week in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan 11 juli 2026, en vanaf 11 juli (zomervakantie ’26) een machtiging te verlenen tot plaatsing gedurende dag en nacht in een gezinshuis van [hulpverlening] voor de duur van de ondertoezichtstelling, waarna hierna alleen een machtiging uithuisplaatsing nodig is voor het gezinshuis van [hulpverlening] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
Door de GI is voor de onderbouwing van de verzoeken verwezen naar de overgelegde rapportages.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en daarom is verlenging van de ondertoezichtstelling nodig. Daarnaast is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen nog steeds in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk. Hoewel beide kinderen een sterke wens uitspreken om contact te hebben met hun ouders en hopen op terugplaatsing, kan op dit moment niet worden gesproken van een opvoedsituatie bij moeder of vader waarin zij veilig, stabiel en onbedreigd kunnen opgroeien. Zowel bij de moeder als bij de vader zijn meerdere onveranderbare en beïnvloedbare risicofactoren aanwezig. De risico’s zijn in de afgelopen periode onvoldoende verminderd en belangrijke factoren – zoals het politieonderzoek bij vader en de structurele beschikbaarheid en zelfstandigheid van moeder – zijn nog niet opgehelderd. Het bieden van hoop op terugplaatsing zonder dat aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, zou de kinderen blootstellen aan hernieuwde teleurstellingen en emotionele schade. De huidige verblijfssituaties bieden rust, continuïteit en ontwikkelingskansen die essentieel zijn voor hun herstel. In het komende jaar dient te worden gewerkt aan verdere stabilisatie, het verkrijgen van duidelijkheid uit het politieonderzoek, het vergroten van de voorspelbaarheid en beschikbaarheid van moeder en het inzetten van passende hulpverlening voor de kinderen. Voor beide kinderen zal op korte termijn worden gestart met traumatherapie. Daarvoor is het belangrijk zij in hun huidige opvoedsituatie verblijven. Voor [minderjarige 1] is traumabehandeling al aangevraagd bij [hulpverlening] . Voor [minderjarige 2] moet dit nog gebeuren. Daarvoor wilde de GI eerst het NICHD-interview afwachten. Binnen het komende jaar zal ook een perspectiefbesluit worden genomen, waarbij het belang van duidelijkheid en veiligheid voor de kinderen leidend zal zijn.
Ter zitting heeft de GI daaraan nog toegevoegd dat zij met de ouders enkele weken geleden goede afspraken heeft kunnen maken over het contact tussen de kinderen en beide ouders. De kinderen zien de vader nu om de week op dinsdag en de moeder eenmaal per maand. De bedoeling is om de contacten met de moeder uit te bereiden, maar dit is in verband met de reisafstand moeilijk om te realiseren. De moeder mag [minderjarige 2] in het weekend opzoeken in het gezinshuis. Daar is, behalve de gezinsouders, geen begeleiding bij. De moeder mag [minderjarige 1] ook opzoeken, maar die frequentie zal lager zijn. Om meer informatie te krijgen over interactie tussen de moeder en de kinderen, zijn de contacten tot nu toe wel begeleid geweest. De contacten gaan vaak goed, maar af en toe zijn dingen die nabesproken moeten worden.
De GI hoopt dat er in de komende periode een fijne samenwerking kan ontstaan tussen de ouders, de gezinshuisouders en de pleegouders. De GI ziet dat het beter gaat, maar het mag beter gaan lopen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen daar van profiteren. De GI wil de ouders meegeven dat betrokkenheid tonen voor de kinderen belangrijk is. De kinderen missen de ouders heel erg.
De GI kan zich vinden in het voorstel van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen te verlengen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het restant. Zo krijgen de ouders de kans om te laten zien dat zij alles op alles zetten om te laten zien wat zij kunnen.
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing vraagt de moeder om dit verzoek toe te wijzen voor de duur van zes maanden onder aanhouding van het restant. De moeder wil graag zelf voor de kinderen zorgen, maar tegelijkertijd geeft ze ook aan dat ze in België wil blijven wonen omdat ze zich daar op afstand van haar ex-partner (niet zijnde de vader van de kinderen) veilig voelt. De moeder hoopt dat er de komende tijd in het kader van de ondertoezichtstelling wordt ingezet op uitbreiding van de contacten tussen haar en de kinderen en dat er een duidelijke visie wordt ontwikkeld ten aanzien van de vraag of de ouders, en dan met name de moeder, in staat is om de zorg voor de kinderen weer op te pakken. De moeder heeft altijd goed voor de kinderen gezorgd. Er zijn vervelende en traumatische dingen gebeurd. Het gaat goed met de kinderen, maar ze missen de ouders erg. De kinderen vragen aan de moeder om hen mee te nemen en bij haar te mogen wonen, vooral [minderjarige 1] . De moeder ziet de kinderen nu één keer per maand en wil dit graag uitbreiden naar een weekendregeling en een vakantieregeling. Zij begrijpt dat de reistaftand een rol speelt, maar de partner van de moeder kan daar in het weekend bij helpen. De moeder wil de kinderen ook graag in België kunnen zien. Daarnaast wil de moeder onbegeleid contact. De moeder vindt het verder lastig dat de kinderen uit elkaar zijn gehaald. Misschien dat er een gesprek kan komen tussen de GI en de ouders waarin wordt uitgelegd waarom alles zo is gelopen. Er zijn dingen verkeerd gegaan. Er zijn redenen voor dat het zo is gelopen, maar bespreek dat met de ouders. Dan ontstaat er mogelijk meer vertrouwen in de GI. Omdat de moeder en de kinderen zich op dit moment niet gehoord voelen en uitbreiding van de contacten moeizaam verloopt, wil de moeder dat de kinderrechter de komende periode de vinger aan de pols houdt.
Door de vader is aangegeven dat hij achter een verlenging van de ondertoezichtstelling van beide kinderen staat. Hoe meer hulp, des te beter. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vindt de vader lastig, maar hij ziet geen andere oplossing. De vader is blij dat de kinderen nu eindelijk geholpen worden. Met de vader zelf gaat het goed. Hij krijgt zijn leven steeds beter op de rails. De vader is recent geopereerd aan een hernia en zijn herstel verloopt goed. Er loopt nog wel een politieonderzoek in verband met verdenkingen van zedendelicten. Het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloopt goed, al was de begeleiding in het begin wel wennen. Ook heeft de vader regelmatig contact met de pleegouders en dit verloopt goed.
[minderjarige 2] heeft in het kindgesprek verteld dat ze nu in [plaats 3] woont, maar dat haar school in [plaats 4] is. Dat vindt ze ingewikkeld, want de reis daar naartoe is ver. [minderjarige 2] vindt het fijn in het gezinshuis in [plaats 3] en voelt zich daar veilig. Ze wil daar pas weg als ze terug naar haar ouders mag. [minderjarige 2] wil niet eerst naar een andere plek. Op korte termijn gaat [minderjarige 2] kijken bij een andere school, dichter bij het gezinshuis. [minderjarige 2] vindt het jammer om van school te wisselen. Dan zal ze haar meester en vrienden gaan missen. [minderjarige 2] heeft met beide ouders begeleid contact. Met haar moeder heeft zij vooral telefonisch contact. [minderjarige 2] vindt het belangrijk dat het contact met haar beide ouders eerlijk is verdeeld. Ook zou [minderjarige 2] graag een keer bij haar ouders willen logeren. Verder heeft [minderjarige 2] verteld over wat er vroeger is gebeurd met de ex-partner van de moeder. Dat vond ze heel eng en moeilijk.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de gronden voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt voldaan (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek). Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding de kinderen noodzakelijk (artikel 1:262b BW).
De kinderrechter stelt vast dat er ten aanzien van beide kinderen nog steeds grote zorgen zijn. Er is in het verleden veel gebeurd, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel onrust en onveiligheid hebben ervaren. Beide kinderen hebben traumatische ervaringen opgedaan, waarvoor zij op korte termijn met traumatherapie zullen starten. Daarnaast is gebleken dat de zorgen over de ouders nog onvoldoende zijn verminderd en dat er op verschillende, belangrijke gebieden – zoals het politieonderzoek naar de vader, de structurele beschikbaarheid en zelfstandigheid van moeder en het perspectief van de kinderen – nog onvoldoende duidelijkheid is gekomen. Omdat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI de komende periode bij de ouders en de kinderen betrokken blijft. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van één jaar, te weten tot 16 juni 2027.
De kinderrechter is verder met de Raad van oordeel dat een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij één van de ouders op dit moment niet aan de orde is. De huidige verblijfssituaties bieden de kinderen op dit moment de rust, stabiliteit en ontwikkelingskansen die zij nodig hebben. Daarnaast is gebleken is dat beide kinderen op korte termijn zullen starten met traumatherapie. Het is belangrijk dat dit vanuit een stabiele plek gebeurd. Dat is de plek waar de kinderen op dit moment verblijven. De kinderechter is wel van mening dat het goed is om over een half jaar opnieuw naar de situatie te kijken, om te zien hoe het dan met de kinderen gaat, wat de stand van zaken is ten aanzien van de verschillende gebieden waarover de komende periode meer duidelijkheid moet ontstaan en wat dit vervolgens betekent voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter zal daarom de door de GI verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen verlengen c.q. verlenen voor de duur van in totaal zes maanden, onder aanhouding van het restant. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg zal worden verlengd tot 16 december 2026, onder aanhouding van het restant. Ten aanzien van [minderjarige 2] zal de traject machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht voor +/- 4 dagen per week in een gezinsgerichte voorziening (het gezinshuis van [hulpverlening] ) en tevens voor +/- 3 dagen per week in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden verlengd tot 11 juli 2026. Daarnaast zal voor [minderjarige 2] aansluitend een machtiging worden verleend tot plaatsing gedurende dag en nacht in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 11 juli 2026 tot 16 december 2026, onder aanhouding van het restant.
De kinderrechter wil de GI nog meegeven dat zij het belangrijk vindt dat er in de komende periode aandacht komt voor de mogelijkheid van uitbreiding van de contacten tussen de moeder en de kinderen. Het is begrijpelijk dat de huidige situatie voor de moeder moeilijk is en dat zij behoefte heeft aan uitbreiding van de contacten, onder andere in de vorm van onbegeleid contact. Het is aan de GI om te komende periode te onderzoeken of dat mogelijk is. De veiligheid en het belang van de kinderen dienen daarin voorop te staan. Daarnaast vindt de kinderrechter het ook verstandig dat de GI in de komende periode samen met de ouders gaat kijken op welke manier ervoor kan worden gezorgd dat alle neuzen dezelfde kant op komen te staan. Als er dingen in het verleden mis zijn gegaan, is het goed om daarover in gesprek te gaan en te kijken hoe ervoor gezorgd kan worden dat er meer vertrouwen vanuit de ouders in de GI kan ontstaan. Als de kinderen voelen dat de GI en de ouders op één lijn zitten, dan is dat in het belang van de kinderen.
Eind november / begin december 2026 zal er een nieuwe zitting plaatsvinden om opnieuw over de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te praten. Zo kan de kinderrechter een vinger aan de pols houden. De GI dient dan aan te geven hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat, hoe de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing (zijn) verlopen en wat de verwachting van de GI is voor de periode daarna. Ook wil de kinderrechter dan van de GI horen of het resterende deel van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen wordt gehandhaafd.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij de beslissing graag via de gezinshuisouders wil horen. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI dit met de gezinshuisouders zal afstemmen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
In de zaak JE RK 26-686
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 16 juni 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 16 december 2026, onder aanhouding van het restant;
in de zaak JE RK 26-688
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 16 juni 2027;
verlengt de traject machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] gedurende dag en nacht voor +/- 4 dagen per week in een gezinsgerichte voorziening en tevens voor +/- 3 dagen per week in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 juli 2026;
verleent een machtiging tot plaatsing gedurende dag en nacht in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 11 juli 2026 tot 16 december 2026, onder aanhouding van het restant;
in beide zaken
houdt de behandeling van de verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nog nader te bepalen zitting eind november / begin december 2026;
vraagt de griffier om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op te roepen voor een kindgesprek;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.