ECLI:NL:RBZWB:2026:6156

Datum uitspraak
09-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/1696 PW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand voor dieetkosten. Gebrek niet hersteld. Beroep gegrond en aanleiding voor een voorlopige voorziening ogv artikel 8:72 lid 5 Awb.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/1696 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (het college), verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2025 (bestreden besluit) van het college over de weigering aan hem bijzondere bijstand voor dieetkosten toe te kennen.

1.1

Het beroep is op 27 januari 2026 op zitting behandeld.

1.2

Met de tussenuitspraak van 11 februari 2026 heeft de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit geconstateerd en het college in de gelegenheid gesteld om dat gebrek te herstellen.

1.3

Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak met de brief van 31 maart 2026 (verzonden op 1 april 2026) een aanvullende motivering ingediend.

1.4

Eiser heeft met de (digitale) brieven van 31 mei 2026, 5 juni 2026 en 2 juli 2026 en onderliggende stukken schriftelijk zijn zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek (al dan niet) is hersteld.

1.5

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 6 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

2. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

Tussenuitspraak

3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het onderzoek van het college naar eisers dieetkosten onvoldoende is geweest.

3.1

Het college ontkent niet dat eiser een ernstige darmaandoening heeft noch de noodzaak van een vezelrijk dieet. Er is volgens het college echter niet gebleken dat er meerkosten zijn aan eisers dieet. Dat blijkt niet uit het advies van [verzekeringsarts] ( [adviesbureau] ), dat het college heeft ingewonnen, of uit de verklaring van eisers huisarts. Het college sluit aan bij de Nibudprijzengids 2023 en 2024 en de Dieetlijst 2024 van de Belastingdienst. Voor eisers aandoening (diverticulose) zijn er volgens genoemde lijsten geen aan een dieet verbonden meerkosten. Dat eiser prikkelbaar darmsyndroom (PDS) heeft en daarvoor een FODMAP-beperkt dieet, welk dieet is opgenomen in de Dieetlijst 2024, moet volgen onder begeleiding van een arts of diëtist is volgens het college evenmin gebleken.

3.2

De rechtbank oordeelde dat, nu [verzekeringsarts] de vraag over de meerkosten van eisers dieet en specificatie naar een maandbedrag niet heeft beantwoord dan wel kunnen beantwoorden, het op de weg van het college had gelegen om daarnaar vervolgens aanvullend onderzoek te doen. Het college heeft niet kunnen volstaan met de conclusie dat de meerkosten van eisers dieet niet zijn aangetoond en dat daarom het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college had – net als eerder door [bijstandsconsulente] – bijvoorbeeld bij eiser objectieve gegevens (zoals bonnetjes) op kunnen vragen en dat kunnen afzetten tegen de kosten van een gangbaar voedingspatroon.

Bovendien had het college, voor zover uit het (aanvullend) onderzoek zou blijken dat er aan eisers dieet geen meerkosten zijn verbonden, dienen te beoordelen of betaling van die kosten (waarin dan geacht wordt te zijn voorzien door de algemene bijstandsnorm) van eiser gevergd kan worden vanwege de bijzondere omstandigheden van eiser, zoals de andere (medische) kosten die hij ook al vanuit de algemene bijstandsnorm moet betalen.

Reactie van het college

4. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak verwezen naar het onderzoek dat hij heeft uitgevoerd na het door [verzekeringsarts] van [adviesbureau] uitgebrachte advies, waaruit volgt dat het vezelrijke dieet dat voor eiser noodzakelijk wordt geacht niet terugkomt in de Nibud prijzengids 2024 en de Dieetlijst 2024 van de Belastingdienst. Daarnaast heeft het college de handboeken van Schulinck en Stimulanz geraadpleegd. Aanvullend heeft het college internetonderzoek verricht. Volgens het college geven diverse sites aan dat er meerkosten kunnen zijn maar dat dit is gelegen in de keuze van producten. A-merken zijn duurder dan B-merken, maar niet beter. De kosten hangen sterk samen met de keuzes die een belanghebbende hierin maakt. Het college concludeert uit bovenstaand onderzoek, dat is verricht tussen het moment van aanvraag en het besluit, dat het eisers dieet geen meerkosten heeft. Indien er geen meerkosten zijn, is er geen recht op bijzondere bijstand.

4.1

Verder stelt het college dat er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat eiser de betaling van de kosten niet kan voldoen uit de algemene bijstand. Volgens het college heeft eiser zijn stelling, dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de kosten te voldoen, niet onderbouwd. Het college heeft een draagkrachtberekening gemaakt aan de hand van de bankafschriften van eiser over juli tot en met september 2024 die zijn overgelegd in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek. Op basis van die berekening stelt het college dat na aftrek van de vaste lasten een bedrag van € 678,12 resteert voor andere uitgaven.

Reactie van eiser

5. Volgens eiser heeft het college het door de rechtbank geconstateerde gebrek niet hersteld, onder meer vanwege niet juist en selectief gebruik van gestandaardiseerde lijsten en het niet beantwoorden van de door de rechtbank gestelde vragen. Eiser betwist daarnaast de berekening van het college en stelt dat hij na aftrek van de vaste lasten op de peildatum februari 2024 maar een bedrag van € 69,92 overhield. Daarvan kon hij geen vezelrijk dieet bekostigen. Vanwege de veroordeling in de proceskosten van het kort geding is het bedrag dat hij overhoudt op dit moment nog minder en lager dan de Nibudnorm voor basisvoeding.

Oordeel van de rechtbank

6.1

De rechtbank stelt voorop dat, voor zover eiser in zijn na de tussenuitspraak ingediende reacties c.q. stukken nieuwe beroepsgronden heeft ingebracht, deze buiten beschouwing zullen worden gelaten, zoals reeds was aangekondigd in rechtsoverweging 6.8 van de tussenuitspraak.

6.2

De rechtbank dient te beoordelen of het college heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak en is van oordeel dat dit niet het geval is. Het college verwijst (weer) naar algemene bronnen en heeft geen onderzoek gedaan naar de (meer)kosten die zich voordoen in het individuele geval van eiser. Hierdoor is onbekend wat de kosten van het benodigde dieet van eiser zijn en of die veel hoger zijn dan de kosten van voeding die hij uit de bijstandsnorm zou moeten kunnen voldoen. Ook kan daardoor niet worden nagegaan of eiser de daadwerkelijke dieetkosten – voor zover geen sprake zou zijn van meerkosten – kan voldoen uit de draagkracht die het college heeft vastgesteld, waarvan eiser overigens de juistheid betwist.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering.

Omdat het college het gebrek niet heeft hersteld, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten. De rechtbank kan evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat daarvoor – vanwege het gebrekkige onderzoek van het college – onvoldoende gegevens voorhanden zijn. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak (inclusief de tussenuitspraak).

7.1

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Daarnaast zijn er geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

7.2

De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat het college niet ontkent dat eiser een ernstige darmaandoening heeft en is aangewezen op een vezelrijk dieet. Doordat het college gebrekkig onderzoek heeft verricht, is niet duidelijk hoe hoog eisers dieetkosten precies zijn, maar gelet op eisers financiële situatie is niet ondenkbaar dat hij die kosten niet langer kan dragen. De rechtbank bepaalt daarom dat het college bij wijze van voorlopige voorziening aan eiser bijzondere bijstand voor dieetkosten voor een bedrag van € 212,92 per maand dient te verstrekken. De rechtbank sluit daarmee aan bij het bedrag aan de bijzondere bestand dat in de periode vanaf 1 maart 2018 tot en met 31 mei 2020 aan eiser is toegekend. Deze voorziening vervalt zes weken nadat opnieuw is beslist op eisers bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college aan eiser met ingang van de dag na de dagtekening van deze uitspraak € 212,92 per maand verstrekt en bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;

  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 9 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »