RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448076 / JE RK 26-814
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de in deze zaak gegeven beschikking van 22 mei 2026 en alle daarin vermelde stukken;
-
de brief van de GI van 4 juni 2026.
2 De nadere beoordeling
Stand van zaken
Bij voormelde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 9 juni 2026 en het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een (brede) machtiging is aangehouden. Dit in afwachting van de berichtgeving vanuit de Nederlandse centrale autoriteit of er toestemming voor de plaatsing vanuit België is verkregen.
De GI heeft in voormelde brief de kinderrechter bericht dat de procedure via de Nederlandse Centrale Autoriteit nog niet is afgerond. De Belgische Centrale Autoriteit heeft aan de Nederlandse Centrale Autoriteit bevestigd dat de casus is overgedragen aan de pleegzorgdienst in [plaats] ten behoeve van de screening van de pleegouders. Op dit moment is echter nog geen formele toestemming verleend voor de plaatsing. De intake bij [kliniek] heeft inmiddels plaatsgevonden. Naar verwachting kan [minderjarige] daar op 1 juli 2026 of eerder starten. Deze plaatsing is afhankelijk van de vrijwillige medewerking van [minderjarige] . De GI blijft daarom alert op de haalbaarheid en passendheid van dit traject en houdt alternatieve mogelijkheden in overweging. De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat zij tot aan de start van haar behandeling bij [kliniek] in het huidige pleeggezin blijft in België. De GI verzoekt dan ook om deze plaatsing te continueren tot en met 1 juli 2026, dan wel tot het moment waarop [minderjarige] eerder kan instromen bij [kliniek] .
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c BW kan de kinderrechter duur van de machtiging verlengen.
Plaatsing van [minderjarige] buiten Nederland
Artikel 82 van de verordening van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke
verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2201/2003 (hierna: de Brussel II-ter Verordening)
bepaalt dat de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat moet worden
gevraagd, indien beoogd wordt een minderjarige te plaatsen in een andere lidstaat. Daartoe
dient de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat aan de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat waar het kind zal worden geplaatst, een verzoek om goedkeuring te zenden (lid 1). De bedoelde plaatsing door de verzoekende lidstaat kan slechts worden gelast of geregeld nadat de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat de plaatsing heeft goedgekeurd (lid 5). De procedure inzake de goedkeuring moet aldus gevolgd worden voordat een verzoek tot plaatsing in het buitenland aan de rechter wordt voorgelegd.
Tijdens de zitting van 22 mei 2026 heeft de kinderrechter aan de orde gesteld dat [minderjarige] in het pleeggezin in België verbleef zonder de instemming van de Belgische Centrale Autoriteit. Zowel vanuit de GI als door de kinderrechter is contact opgenomen met de Nederlandse Centrale Autoriteit. De procedure om instemming van de Belgische Centrale Autoriteit te verkrijgen is in gang gezet, maar dit is nog niet afgerond. Momenteel vindt de screening van de pleegouders door de pleegzorgdienst in [plaats] plaats. De GI is nog in afwachting van bericht hierover.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat de huidige machtiging voor een korte periode verlengd moet worden tot 1 juli 2026 om de Belgische autoriteiten de tijd te geven om de bredere machtiging te kunnen beoordelen. Anders zou dit leiden tot een situatie dat [minderjarige] terug naar haar moeder zou moeten gaan, wat niet in haar belang is en daarmee strijd met artikel 3 Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind zou opleveren. Ten aanzien van het reguliere verzoek tot het verlenen van een (brede) machtiging tot uithuisplaatsing zal het verzoek worden aangehouden in afwachting van berichtgeving vanuit de Nederlandse Centrale Autoriteit.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter daarom het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen, in die zin dat [minderjarige] in België moet blijven tot 1 juli 2026. Het verzoek tot het verlenen van een (brede) machtiging uithuisplaatsing zal worden aangehouden tot 17 juni 2026 PRO FORMA in afwachting van de berichtgeving vanuit de Nederlandse Centrale Autoriteit of er toestemming voor de plaatsing vanuit België is verkregen. Daarnaast zal er dan duidelijkheid of [minderjarige] op 1 juli 2026 haar traject zal starten bij [kliniek] . De kinderrechter verzoekt de GI om hem (onder gelijktijdige verzending aan de vader en de advocaat van de moeder) uiterlijk op voormelde pro forma datum schriftelijk te informeren over de informatie die zij tot dan toe heeft over zowel de procedure bij de centrale autoriteit als de plaatsing van [minderjarige] bij [kliniek] . De kinderrechter vraagt de GI, gelet op de korte termijnen, voortvarend te handelen. Na binnenkomst van de schriftelijke berichtgeving van de GI zal de kinderrechter het verdere procesverloop bepalen en alle betrokkenen hierover berichten.
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger
beroep gaat.
3 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 juli 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 1 juli 2026, tegen welke zitting de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] dienen te worden opgeroepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026, in aanwezigheid van Boink als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.