RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/424540 / HA ZA 24-375
Vonnis van 12 februari 2025
in de zaak van
DE ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
advocaat: mr. H.A. Bravenboer,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2024 en de daarin genoemde stukken- de akte met producties 20 en 21 en wijziging eis althans grondslag eis van CZ
- de akte vermindering eis en verzoek vonniswijzing op de stukken van CZ met productie 22
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
CZ vordert – samengevat – na vermindering van haar eis dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 109.511,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2023 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft CZ bij akte laten weten dat zij haar eis vermindert. Ook heeft zij de rechtbank laten weten dat [gedaagde] de gewijzigde eis van CZ erkent, dat partijen willen dat vonnis wordt gewezen en dat de mondelinge behandeling niet meer hoeft plaats te vinden. Ter onderbouwing hiervan wijst CZ op de ondertekende brief van 23 januari 2025 van de advocate van [gedaagde] die als bijlage is overgelegd, waarin de advocate dit bevestigt.
De rechtbank zal daarom de vordering van CZ tot betaling van € 109.511,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2023 tot de dag van voldoening toewijzen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
135,97 |
|
|
- griffierecht |
€ |
6.617,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.929,00 |
(1 punt × € 1.929,00) |
|
- nakosten |
€ |
178,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.859,97 |
3 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 109.511,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 februari 2023, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.859,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.