ECLI:NL:RBZWB:2025:2686

Datum uitspraak
24-04-2025
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
432176
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk verklaard. Zij vraagt bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige voorziening. Hoofdzaak ziet op ontbinding gereg pschap tussen ppn. Wetgever heeft met artt 821-826 Rv voorzien in bijz regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Daarmee geen plaats voor art 223 Rv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/432176 / FA RK 25-902

beschikking d.d. 24 april 2025 op het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.

1. Het procesverloop

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 17 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Bronsveld;

- de brief d.d. 2 april 2025 van mr. Baas.

1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/432174 / FA RK 25-900. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen voor.

1.3. De op 10 april 2025 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij overeenstemming hebben bereikt – geen doorgang gevonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen, Nederlanders, zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden.

3 Het verzoek

3.1.

De vrouw verzoekt:

- bij wijze van provisionele voorziening te bepalen dat de vrouw in de woning te [woonplaats 1], aan de Biezenbaan 18 zal kunnen verblijven tot zes maanden na de door de rechtbank te geven beschikking en voorts te bepalen dat de man zal voldoen een bedrag van € 1.210,00 per maand aan partneralimentatie per datum af te geven beschikking door de rechtbank.

4 De beoordeling

4.1.

Bij voormelde brief van 1 april 2025 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het deel van het verzoek betreffende de partneralimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw zal voldoen per 1 april 2025 een bedrag van € 1.212,00 bruto. Het verzoek betreffende de woning in deze procedure is door de vrouw ingetrokken. Daarbij verzoekt de vrouw om het vorenstaande vast te leggen in een beschikking. Namens de vrouw wordt bericht dat de mondelinge behandeling, gelet op de overeenstemming, geen doorgang hoeft te vinden.

4.2.

Bij genoemde brief van 2 april 2025 is namens de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt overeenkomstig hetgeen mr. Bronsveld in zijn brief van

1 april jl. heeft aangegeven. Ook de man heeft aangegeven dat de mondelinge behandeling geen doorgang behoeft te vinden.

4.3.

De vrouw vraagt bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige voorziening. Haar verzoek is derhalve gebaseerd op artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Vaststaat dat de hoofdzaak tussen partijen ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen; op grond van artikel 828 Rv zijn de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken daarbij van overeenkomstige toepassing. De wetgever heeft met de artikelen 821-826 Rv voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee heeft de wetgever kennelijk bedoeld een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van artikel 223 Rv kan worden gevraagd, zodat geen plaats is voor toepassing van artikel 223 Rv, zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van

31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414). Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »