ECLI:NL:RBROT:2026:8648

Datum uitspraak
25-06-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2613947:R-RK - NL:TZ:2613948:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

toegewezen voor zes maanden. Lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan. Beschermingsbewind waarborgt huurbetalingen. Schuldhulpverleningstraject bevindt zich in de inventarisatiefase.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 25 juni 2026

[naam 1] ,

wonende te [straatnaam] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 1 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 3 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 juni 2026.

Ter zitting van 18 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;

  • mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker;

  • mevrouw A. Almeida, werkzaam bij Stichting Nieuw Vaarwater (hierna: beschermingsbewindvoerder).

De heer [naam 2] , werkzaam bij GGN Mastering Credit heeft namens Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift is tevens aangegeven dat verweerster er van afziet de zitting persoonlijk bij te wonen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker over te gaan.

Verzoeker ontvangt thans een WW-uitkering en huurtoeslag. Omdat er ook beslag ligt op de WW-uitkering is het budget krap. Het lukt wel om de vaste lasten te voldoen. De huur over de maanden mei en juni 2026 is, weliswaar te laat, voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij omtrent de huurbetaling afspraken heeft gemaakt met verweerster, omdat hij zijn WW-uitkering pas ná de eerste van de maand ontvangt. Verweerster is ermee akkoord dat de huur iets later wordt voldaan dan de eerste van de maand, aldus verzoeker. Verzoeker heeft daarnaast meegedeeld dat hij goede vooruitzichten heeft op een betaalde dienstbetrekking. Hij heeft diverse sollicitaties lopen. Verzoeker is sinds 31 maart 2026 onder beschermingsbewind gesteld. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het beschermingsbewind volledig is opgestart en dat de financiën netjes verlopen. De beschermingsbewindvoerder is bezig met het inventariseren van de schulden. Zij is nog in afwachting van een aantal schuldopgaves. Zodra deze schuldopgaves zijn ontvangen zal Stichting Nieuw Vaarwater het schuldhulpverleningstraject verder uitvoeren.

3 Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoeker komt de gemaakte afspraken niet na. In juni 2025 hebben partijen een vaststellings-overeenkomst gesloten. Afgesproken is dat verzoeker maandelijks € 100,-- zou voldoen naast de lopende huur. Verzoeker heeft slechts één keer € 100,-- voldaan en daarna heeft hij ook de lopende huurtermijnen weer onbetaald gelaten. Zelfs nu er sprake is van beschermingsbewind wordt de huur nog steeds niet, althans niet tijdig voldaan. Verweerster heeft geen vertrouwen in stipte betaling van de komende huurverplichtingen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft op dit moment een inkomen uit WW-uitkering en huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand juni 2026 is voldaan. Verzoeker is actief bezig om een betaalde dienstbetrekking te verwerven en zijn inkomen te verhogen. Sinds

31 maart 2026 staat verzoeker onder beschermingsbewind. Beschermingsbewind waarborgt betaling van de lopende huurtermijnen. De beschermingsbewindvoerder is bovendien bezig met het inventariseren van de schuldenlast, zodat het schuldhulpverleningstraject spoedig kan worden doorlopen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2026 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker aan het [straatnaam] te [postcode] [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 3 juni 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van

C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »