ECLI:NL:RBROT:2026:7319

Datum uitspraak
10-06-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2606197:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WSNP toewijzen voor de duur van twee jaar. De aard van de schuld aan de gemeente Rotterdam rechtvaardigt een toelating voor twee jaar. Geen eerdere ingangsdatum

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer]

Vonnis van

op het verzoek van

[naam 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te ' [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen [naam 1] ,

Waar deze zaak over gaat

Mevrouw [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [naam 1] , samen met haar echtgenoot, een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1 De procedure

1.1.

Mevrouw [naam 1] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.

1.2.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 26 mei 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- mevrouw [naam 1]

- de heer [naam 2] , partner van mevrouw [naam 1] ,

- de heer mr. A. Harmanci, advocaat en schuldhulpverlener bij de Schie.

2 De beoordeling

De toelating

2.1.

Mevrouw [naam 1] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [naam 1] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

2.2.

Mevrouw [naam 1] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.

Bevoegdheid

2.3.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [naam 1] in Nederland ligt.

Duur

2.4.

De rechtbank ziet aanleiding de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) te stellen op 24 maanden. Hieraan ligt het volgende ten grondslag. Mevrouw [naam 1] is in gemeenschap van goederen getrouwd met de heer [naam 2] . De heer [naam 2] heeft een schuld laten ontstaan bij de gemeente Rotterdam ter hoogte van € 700.000,-. Dit betreft een schuld wegens huurachterstanden. ASG- Kan Holding B.V. (hierna: ASG) huurde namelijk een aantal panden van de gemeente Rotterdam, maar heeft gedurende lange periode de huur niet voldaan. De heer [naam 2] was bestuurder en enige aandeelhouder van ASG. Bij vonnis van 17 maart 2017 van deze rechtbank is de heer [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze schuld. Aangezien mevrouw [naam 1] in gemeenschap van goederen is getrouwd met de heer [naam 2] , is zij ook hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld. Deze schuld staat gelet op de driejaarstermijn niet aan toelating in de weg. De rechtbank ziet echter in de aard en de omvang van deze schuld reden om de materiële looptijd van de regeling van 18 maanden te verlengen met 6 maanden. Naast het bewust en op onjuiste gronden niet betalen van de huur door de heer [naam 2] , heeft ook mevrouw [naam 1] een verantwoordelijkheid ten aanzien van deze schuld waar het gaat om het onbetaald laten daarvan. Zij heeft ervoor gekozen om voor haar partner te zorgen en niet te gaan werken. Uit het dossier volgt evenwel niet dat de medische situatie van de heer [naam 2] dermate nijpend was dat fulltime zorg thuis, door mevrouw [naam 1] , noodzakelijk was. Ook heeft zij niet onderzocht of er vanuit de gemeente mogelijk ondersteuning kon komen voor de heer [naam 2] . Dit alles heeft ertoe geleid dat er geen afloscapaciteit was en er tot op heden helemaal niks is afgelost op deze schuld. Daar komt bij dat mevrouw [naam 1] noch de heer [naam 2] enig initiatief heeft genomen om met de gemeente Rotterdam tot enige regeling tot (gedeeltelijke) aflossing van de schuld te komen. Gelet daarop wordt van mevrouw [naam 1] een langduriger inspanning gevraagd om tot sanering van de schulden te kunnen komen. Ter zitting is met mevrouw [naam 1] gesproken over een mogelijk langere duur van de schuldsaneringsregeling en zij heeft hiermee ingestemd.

De ingangsdatum

2.5.

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

2.6.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.

2.7.

De rechtbank stelt vast dat mevrouw [naam 1] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan.

2.8.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.

De verplichtingen waaraan mevrouw [naam 1] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

3.2.

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [naam 1] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

3.3.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [naam 1] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [naam 1] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

3.4.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

3.5.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [naam 1] .

3.6.

Als mevrouw [naam 1] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [naam 1] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[naam 1],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam]

[postcode] [woonplaats] ,

- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom

en tot bewindvoerder N.N. van Klaveren,

gevestigd te Postbus 136

2990 AC Barendrecht ,

- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 10 juni 2026 en de duur op 24 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op

10 juni 2028;

- draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [naam 1] in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom, voorzitter, mr. M.C. Franken en mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechters, in samenwerking met mr. T.M.M. de Laat, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »