ECLI:NL:RBROT:2026:7040

Datum uitspraak
17-02-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
10/220994-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing in een appartement door de kraan van een gasfles open te draaien. Gevangenisstraf van 13 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/220994-25

Datum uitspraak: 17 februari 2026

Datum zitting: 3 februari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )

ingeschreven op het adres

[adres] [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. B. van Gestel

Officier van justitie: mr. S.H. Stein

Benadeelde partij: [benadeelde]

Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A]

Kern van het vonnis

De verdachte heeft een poging gedaan om een ontploffing in zijn appartement teweeg te brengen door de kraan van een gasfles open te draaien. Hierdoor is gevaar ontstaan voor de bij het incident betrokken hulpverleners, maar ook voor de omringende appartementen en de personen die daar aanwezig waren. De verdachte ontkent dat hij opzettelijk de gaskraan heeft opengedraaid. De rechtbank acht de verdachte schuldig en veroordeelt hem tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij een poging heeft gedaan om een ontploffing teweeg te brengen met gevaar voor andere personen en goederen tot gevolg.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Rotterdamter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkbrand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,in een woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en de in dezewoning aanwezige goederen en/of voor de naastgelegen panden en de aldaaraanwezige goederen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), teweten voor de personen aanwezig in voornoemde woning en de aanwezigepersonen in de naastgelegen/omringende woningen en/of politieagenten en/ofhulpverleners,te duchten was,met dat opzet- zijn woning heeft afgesloten en/of- zich in een afgesloten kamer heeft opgesloten en/of- (vervolgens) een 9,5 liter gasfles heeft opengedraaid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor de aanwezige hulpverleners, de buren en de omringende woningen.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat het (voorwaardelijk) opzet op het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar voor anderen op basis van de feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het teweegbrengen van een ontploffing. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.2.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen1 en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces verbaal van de politie2

De bewoner en melder zou zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).

[adres] te Rotterdam

Omstreeks 08:01 uur heb ik de voordeur van de woning geforceerd middels de deurram.

De woning was op 3 punten, vanuit binnen afgesloten.

Direct daarnaast zat nog één deur welke gesloten was. Ik zag hier een man op bed liggen.

Ik hoorde in de kamer tevens een hard sissen geluid.

Ik hoorde agent van politie, [persoon B] , roepen dat zij een gasfles in de hoek van de kamer zag staan. Ik concludeerde hieruit direct dat deze dus open stond, en hier dus ook het harde sissende geluid vandaan kwam.

Wij hebben bij het verlaten van de woning de deur van de slaapkamer alwaar de man lag en het gas open stond, open laten staan, alsmede de geforceerde voordeur om een eventuele explosie te voorkomen.

Ik heb na het incident ook nog contact gezocht met de officier van dienst brandweer.

Ik heb aan hem gevraagd wat de reële kans op ontploffing was. Hij heeft dit besproken

met de adviseur gevaarlijke stoffen en deze deelde het volgende mede.

“Als je een tank campinggas (9,5kg propaan) geheel laat leeglopen in een kleine

ruimte (bv kamer van 2,5 x 2,5x 2,5m) dan is het mogelijk dat er zich in deze ruimte

een explosief mengsel vormt.

Mocht deze explosiewaarde bereikt zijn en er een explosie plaatsvindt dan hebben we

twee veiligheidsissues:

- voor ons zelf als hulpverleners: wij staan namelijk ook in het explosie- en effectgebied (glas scherven en vliegend puin);

- voor de omwonenden: door een explosie zal er direct gevaar zijn voor alle

omwonenden. Gevaar zit hem in verwondingen door glas/puin, brandgevaar en

instortingsgevaar. Extra aandachtspunt is dat de woning op de 8e etage zit.

Instortingsgevaar voor de woningen erboven en ernaast is na zo'n explosie reëel.”

2. Proces-verbaal van de politie3

In de toegangsdeur naar het balkon in de ouderslaapkamer was in de bovenste deurbalk een ventilatieopening aanwezig. Wij, verbalisanten, zagen dat deze vanaf de binnenzijde was dichtgemaakt. Het kozijn van deze deur was voorzien van tochtwerende rubber strips.

Gevaren in detail:

- Brand en explosie:

Propaan is zeer licht ontvlambaar en kan bij een concentratie vanaf 2,2% in lucht al

een explosief mengsel vormen. Een vonk of hittebron kan al voldoende zijn om een

gaslucht te laten ontbranden, wat kan leiden tot een steekvlam of een explosie.

Bevindingen brandweer:

Om 08.44 uur werd door de politie besloten om het slachtoffer uit de woning te halen

waarbij geconstateerd werd dat alle ramen en deuren, met uitzondering van de voordeur,

gesloten bleken.

Die dag om 08.26 uur is de woning betreden met een LEL meter.

In de hal van deze woning, waarbij de voordeur open stond, was de LEL waarde 10%,

voor ons een teken om het pand direct weer te verlaten.

De betreffende gasfles die maximaal 9,5 kilogram propaangas kan bevatten.

Aan de bovenzijde was een gevaar etiket aangebracht met gevaar aanduiding brandbare

gassen, gas onder druk en UN 1965: het identificatienummer voor een mengsel van

koolwaterstofgassen, vloeibaar gemaakt, zoals butaan en propaan.

De afnamekraan van de gasfles was op 4 augustus 2025 om 08.01 uur in (deels) opengedraaide toestand waarbij er gas uitstroomde. Die dag om 08.46 uur werd de afnamekraan van deze gasfles dichtgedraaid waarbij werd geconstateerd dat nog ongeveer 20% gas in de fles aanwezig was. Vast staat dat deze gasfles niet geheel leeg was en het opendraaien voor meer dan 20% gevuld moet zijn geweest.

In de woning aan de [adres] was op 4 augustus 2025 een situatie waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest, in dit geval de hulpverleners die naar aanleiding van de melding ter plaatse zijn gegaan.

Het opendraaien van een afnamekraan van een gevulde gasfles in een woning kan niet

als onbedoelde handeling worden gekenmerkt. De brandweer heeft bij het betreden van

de hal woning in eerste instantie een LEL meting gedaan van 10% hetgeen al voldoende

gevaarzetting opleverde om tot evacuatie over te gaan. De gasfles stond in de

slaapkamer aan de achterzijde van de woning. Vanaf de hal tot aan de gasfles zijn in

verband met de noodzaak tot snel handelen geen metingen meer gedaan. Aangenomen mag

worden dat hoe dichter bij de (gas)bron hoe hoger de LEL waarde zal zijn. Echter, het gas

stroomt in de ruimte vanaf een bepaald punt en gaat zich willekeurig door de ruimte en

later ook door de woning verspreiden waarbij nooit sprake is van een absoluut homogeen

mengsel. Anders gezegd het kan zomaar zijn dat op een punt in de ruimte de LEL wel wordt

bereikt en terwijl dat op een ander punt (nog) niet het geval is, of niet meer het geval is.

Voor wat betreft een ontstekingsbron voor een brand en/of ontploffing van het

aanwezige mengsel kan worden gesteld dat er geen elektrische (huishoudelijke)

apparaten bekend zijn die geheel vonkvrij kunnen werken. De meest voorkomende

ontstekingsbronnen in dergelijke gevallen zijn meestal een koelkast die inschakelt, de

deurbel en/of inschakeling van verlichting en dergelijke. Ook de communicatieapparatuur

van de hulpverleners is niet vonkvrij geconstrueerd.

Een stroomstootwapen is ingezet om de in de woning aanwezige gevaarlijke hond onder controle te brengen. Het gebruik van dit wapen zou al een ontploffing hebben kunnen inleiden.

2.3.2.

Bewijsmotivering

De verdachte heeft op 4 augustus 2025 vanuit zijn woning de hulpdiensten gebeld met de mededeling dat hij 6 tabletten lorazepam had ingenomen.

De politie komt binnen enkele minuten ter plaatse, belt aan en roept, maar de verdachte reageert niet. Ongeveer een kwartier nadat de politie ter plaatse is gekomen maken zij met een stormram de deur open. De hondengeleider betreedt als eerste de woning om de in de woning aanwezige hond af te dreigen met een stroomstootwapen. Daarna betreden drie andere verbalisanten de woning om op zoek te gaan naar de verdachte. Een van de verbalisanten hoort bij binnenkomst een sissend geluid. De verbalisanten treffen de verdachte in de afgesloten slaapkamer, liggend op bed met een foto van zijn dochter en een mes op zijn borst, waarbij de punt van het mes naar zijn keel wijst. Naast het bed staat een opengedraaide gasfles. Een van de verbalisanten voelt zich direct onwel worden en de verbalisanten verlaten voor hun eigen veiligheid de woning in afwachting van de brandweer. De slaapkamerdeur en de voordeur worden met het oog op explosiegevaar opengelaten. Even later betreedt een verbalisant met de brandweer de woning om een meting te doen. Hij hoort bij het betreden van de woonkamer gesis en ruikt een sterke gaslucht die sterker wordt naarmate hij dichter bij de slaapkamer komt. De woning wordt wederom vanwege de veiligheid verlaten. Zo’n vijfentwintig minuten na het openbreken van de voordeur wordt er in het halletje een LEL (‘Lower Explosion Level’) meting gedaan waarbij 10% wordt gemeten. Ongeveer drie kwartier na het openbreken van de voordeur stapt de dienst speciale interventies naar binnen en haalt de verdachte uit de woning. De brandweer betreedt daarna de woning en draait de gasfles dicht. De forensische opsporing heeft na onderzoek geconcludeerd dat sprake was van gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander. De gasfles heeft in ieder geval vijfenveertig minuten opengestaan en na het dichtdraaien van de gaskraan was de fles voor nog ongeveer 20% gevuld. Uit het onderzoek blijkt dat met de gemeten 10% de laagste explosiegrens nog niet was bereikt, maar dat het wel voldoende gevaarzettend was om de woning meteen te verlaten. Elders in de woning kon het gasgehalte namelijk hoger zijn. Voorts concludeert de forensische opsporing dat een vonk, zoals die van het stroomstootwapen van de hondengeleider, had kunnen dienen als ontstekingsbron. De officier van dienst van de brandweer heeft verklaard dat, indien een explosie had plaatsgevonden in het appartement van de verdachte, naast gevaar voor hulpverleners en omwonenden door rondvliegend puin en glas, ook een reëel instortingsgevaar voor de omringende appartementen zou zijn geweest.

Beoordeling

De rechtbank ziet zich als eerst voor de vraag geplaatst of de verdachte degene is geweest die de gaskraan heeft opengedraaid. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. De rechtbank houdt het ervoor, dat de gaskraan door menselijk toedoen is opengedraaid, nu daar geen alternatieve verklaring voor is. De verdachte was de enige aanwezige in zijn woning. Het kan dan ook niet anders dan dat hij zelf de gaskraan heeft opengedraaid.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte het opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op het teweeg brengen van een ontploffing.

Poging tot het teweegbrengen van een ontploffing vereist dat bij de verdachte sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het teweegbrengen van een ontploffing. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had om de ontploffing teweeg te brengen. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door de verdachte van de aanmerkelijke kans dat de ontploffing door zijn handelen teweeg zou worden gebracht. Of de gedragingen de aanmerkelijke kans op een dergelijk gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de aard van die gedragingen en de omstandigheden waaronder die gedragingen zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij geen weet had van de opengedraaide gaskraan en dat hij mogelijk per ongeluk de gaskraan heeft opengedraaid toen hij zijn kleding van de gasfles pakte, in strijd met het forensisch onderzoek. Uit de conclusies van het forensisch onderzoek blijkt immers dat het opendraaien van de gaskraan geen onbewuste handeling kan zijn geweest. Daarnaast blijkt uit foto’s van de gasfles dat de gaskraan was omgeven door twee handvatten, die de door de verdachte geopperde mogelijkheid zeer onwaarschijnlijk maken. Het feit dat de gaskraan maar gedeeltelijk was opengedraaid, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Daarbij komt dat de verbalisant ter plaatse duidelijk een sissend geluid hoort en een sterke gaslucht ruikt. De rechtbank acht het onaannemelijk dat de verdachte, die zich in dezelfde kamer als de gasfles bevond, het sissende geluid en de gaslucht niet heeft opgemerkt. De rechtbank hecht om die redenen geen geloof aan deze verklaring van de verdachte.

De rechtbank stelt daarom vast dat de verdachte bewust de gaskraan van de in de slaapkamer aanwezige gasfles heeft opengedraaid. De verdachte heeft de alarmlijn gebeld, maar hij heeft daarbij geen melding gemaakt van de openstaande gasfles. Door de hulpdiensten niet op de hoogte te stellen van de openstaande gasfles, heeft de verdachte het risico genomen dat een vonk een ontploffing teweeg zou brengen. Een ontploffing in het appartement van de verdachte, gelegen op de achtste verdieping van een appartementencomplex, had een direct gevaar voor de hulpverleners, de omliggende appartementen en de personen aanwezig in die appartementen tot gevolg gehad.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een ontploffing teweeg zou brengen met gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor andere personen. Dat de rechtbank bij de verdachte geen eensluidend motief voor dit handelen vast heeft kunnen stellen, maakt dat niet anders. De reden die de verdachte had om de gaskraan open te draaien, is immers niet van belang voor de bewezenverklaring van het feit. De verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing. Het ten laste gelegde feit kan dan ook worden bewezen.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op of omstreeks4 augustus 2025 te Rotterdamter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkbrand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,in een woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en de in dezewoning aanwezige goederen en/of voor de naastgelegen panden en de aldaaraanwezige goederen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) anderen, teweten voor de personen aanwezig in voornoemde woning en de aanwezigepersonen in de naastgelegen/omringende woningen en/of politieagenten en/ofhulpverleners,te duchten was,met dat opzet- zijn woning heeft afgesloten en/of- zich in een afgesloten kamer heeft opgesloten en/of- (vervolgens) een 9,5 liter gasfles heeft opengedraaid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, alsmede dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt in het geval van een bewezenverklaring om oplegging van een onvoorwaardelijk deel gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, aangevuld met een voorwaardelijk deel gevangenisstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het teweeg brengen van een ontploffing door in zijn woning de kraan van een gasfles open te draaien. Daarmee heeft de verdachte een potentieel zeer gevaarlijke situatie voor de aankomende hulpverleners en zijn buren in het leven geroepen. Ook had grote schade aan de omringende appartementen kunnen ontstaan. Het is niet aan het handelen van de verdachte te danken dat het slechts bij een poging is gebleven. Een dergelijk feit is een zwaar misdrijf, omdat als gevolg daarvan een zeer onbeheersbare (levens)gevaarzettende situatie had kunnen ontstaan. Dergelijk handelen veroorzaakt grote angst en onrust in de samenleving, in het bijzonder bij buurtbewoners.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 oktober 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapporten van de reclassering en de deskundige

In het rapport van Reclassering Nederland van 9 december 2025 staat – voor zover hier relevant - het volgende.

De verdachte heeft in de afgelopen jaren alcoholproblematiek en een cocaïneverslaving ontwikkeld. Zijn verslavingsproblematiek heeft ervoor gezorgd dat de verdachte geen vorm van dagbesteding meer heeft, zijn woning verwaarloost en steeds meer afwijkend gedrag vertoont. Onder invloed van deze onderdelen is de verdachte tot het delict gekomen waar hij nu van wordt verdacht. Mogelijk beschermende factor is de ex-partner van de verdachte die hem ondanks hun onderlinge problematiek blijft ondersteunen, zowel geestelijk als financieel.

De verdachte is zich bewust van zijn problematiek en stelt zich open voor interventies om verandering in zijn situatie aan te brengen en zo de kans op recidive te verlagen.

Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.

Bij een veroordeling adviseert Reclassering Nederland een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht, opname in een zorginstelling, een alcohol- en drugsverbod, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverleningen en meewerken aan middelencontrole.

In het rapport van psycholoog drs. [persoon C] van 29 oktober 2025 staat – voor zover hier relevant - het volgende.

Bij de verdachte is vermoedelijk sprake van zwakbegaafdheid, waardoor hij moeite heeft om complexe problemen te overzien en op te lossen. Ook zorgt het voor problemen in het plannen en reguleren van eigen gedrag en het overzien van de gevolgen van gemaakte keuzes. Daarnaast is sprake van stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne. Onder invloed van alcohol en cocaïne kan de verdachte eigen emoties en gedrag nog minder goed reguleren. Daarnaast is sprake van een depressieve stoornis (mogelijk met psychotische kenmerken) waardoor de verdachte depressief, somber en wanhopig is, ook lijkt hij daardoor paranoïde en angstig.

Op basis van de informatie van de verdachte en referenten was sprake van problematisch alcohol en cocaïnegebruik in de periode waarin het ten laste gelegde plaatsvond. Daarnaast waren er sterke aanwijzingen voor depressieve klachten. Mogelijk was ook sprake van psychotische ontregeling (paranoïde ideeën, onrust, angst). Ook was sprake van zwakbegaafdheid ten tijde van het ten laste gelegde. De psychische stoornissen beïnvloedden deels de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, adviseert de psycholoog om de verdachte het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op acuut geweld wordt ingeschat als laag. Het risico op recidive ten aanzien van een geweldsdelict (waaronder het teweegbrengen van een ontploffing) wordt ingeschat als matig.

Op basis van dit rapport stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte staat op de wachtlijst voor een opname op de Forensisch Psychiatrische Afdeling De Mare. Zijn plek op de wachtlijst is afhankelijk van de einddatum van de onvoorwaardelijke detentie. Omdat de kliniek thans vol is, betekent een plek bovenaan de wachtlijst echter niet dat de verdachte ook direct na afloop van zijn detentie geplaatst kan worden. Daarom blijft de mogelijkheid dat de verdachte aansluitend op zijn detentie direct kan worden opgenomen in FPA De Mare onzeker. Om die reden kan de rechtbank hier bij de strafoplegging geen rekening mee houden.

4.3.3.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit, is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van 13 (dertien) maanden opgelegd.

Van deze gevangenisstraf worden 5 (vijf) maanden voorwaardelijk opgelegd.

De verdediging heeft verzocht te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest met daarbij een voorwaardelijke straf. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, gelet op de eerdergenoemde ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank ziet – met de reclassering, de officier van justitie en de verdediging – wel het belang van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met oplegging van de voorwaarden die hierna worden genoemd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf is verder geprobeerd deze zoveel mogelijk direct te laten aansluiten op plaatsing bij de FPA de Mare. Met toestemming van partijen is daarbij informatie betrokken die na afloop van de zitting per email van de Mare is ontvangen over de vraag of het intakegesprek positief is verlopen en hoe de wachtlijst er op dit moment uitziet.

Gelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering [benadeelde]

heeft als benadeelde partij € 500,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de schade van de benadeelde partij niet kan worden vastgesteld. Nader onderzoek naar het causaal verband levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om het schadebedrag te matigen met de mogelijkheid om in termijnen te betalen.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in die zin dat hij zich twee dagen onwel heeft gevoeld als gevolg van de blootstelling aan het gas. Daarnaast heeft het incident een grote psychische impact gehad op de benadeelde partij waarbij hij prikkelbaar was en zich uitgeput voelde. Hoewel een politieambtenaar over een zekere mate van gehardheid moet beschikken om zijn taak te kunnen vervullen, valt het omgaan met het handelen van de verdachte buiten de normale werkzaamheden waar een politieambtenaar mee te maken kan krijgen. Het is goed voorstelbaar dat de benadeelde partij langere tijd last van heeft gehad van het incident. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.

5.4.2.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 augustus 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3.1. vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 5 (vijf) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de verdachte meldt zich binnen één dag na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. de verdachte laat zich opnemen in Antes verslavingszorg of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op het moment dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. de verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;

4. de verdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urine- en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

5. de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;

6. de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

7. de verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs (cocaïne) om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde] , te betalen een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 500,00 (vijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 (vijf) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat het bij de maatregel tot schadevergoeding genoemde bedrag in 10 (tien) gedeelten van € 50,00 mag worden voldaan;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Hameete, voorzitter,

en mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.

Mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »