Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709871 / FA RK 25-8602
Beschikking van 2 juni 2026 over de adoptie
in de zaak van:
[naam verzoekster]
wonende te [woonplaats] ,
hierna: verzoekster,
advocaat mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar,
in welke zaak belanghebbende zijn:
- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,
zetelende te Den Haag, vertegenwoordigd door de ambtenaar;
- de biologische ouders waarvan de schrijfwijze van hun namen onduidelijk is. In het verzoekschrift staan de namen: [naam 1] en [naam 2]. In het verslag van het ziekenhuis (productie 1 van het verzoekschrift) staan de namen [naam 3] en [naam 4]. In de beschikkingen van deze rechtbank en het gerechtshof Den Haag staan de namen [naam 3] en [naam 4]. In het voogdijformulier (productie 5 van het verzoekschrift) en de uitspraak in Afghanistan (productie 10 van het verzoekschrift) staat [naam 5] en [naam 6]. In de verklaring van [persoon A] (productie 11 van het verzoekschrift) staat [naam 7] en [naam 8]. In het paspoort van de vermeende ouders (productie 13 van het verzoekschrift) staat [naam 9] en [naam 10].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 10 november 2025;
-
het bericht van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 15 januari 2026;
-
het bericht van verzoekster met bijlagen van 12 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat.
2 De vaststaande feiten
De minderjarige [minderjarige] (hierna: de minderjarige) is geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , als kind van bovengenoemde biologische ouders waarvan de schrijfwijze van de namen uiteenloopt.
Op 26 juli 2021 is door de gerechtelijke commissie van de burgerlijke rechtbank in Afghanistan de voogdij over de minderjarige overgedragen aan verzoekster en [persoon B] .
De minderjarige verblijft sinds augustus 2021 in Nederland.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2024 is het verzoek van verzoekster om de adoptie van de minderjarige uit te spreken en het samenhangende verzoek met betrekking tot de achternaam van de minderjarige afgewezen.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 9 april 2025 is de bestreden beschikking bekrachtigd en is bepaald dat de voogdij over de minderjarige met ingang van de datum van de beschikking aan verzoekster toekomt.
Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarige heeft de Afghaanse nationaliteit.
3 De beoordeling
Verzoekster verzoekt de adoptie van de minderjarige uit te spreken. Volgens verzoekster moet het verzoek gezien worden als een nieuw verzoek, en dus niet als eenzelfde verzoek waar de rechtbank in 2024 en het gerechtshof in 2025 over heeft geoordeeld. Verzoekster stelt dat de adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is. Het belang van de minderjarige moet niet getoetst worden aan het Haags adoptieverdrag of de Wobka, maar aan het Nederlandse protocol afstand ter adoptie en/of artikel 3 IVRK en/of artikel 8 EVRM. Dit belang is door de rechtbank en het gerechtshof niet op de juiste wijze aan de wet getoetst. Daarnaast stelt verzoekster dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die ertoe leiden dat dit verzoek tot adoptie moet worden toegewezen. Verzoekster stelt dat voldaan is aan de voorwaarden voor adoptie zoals genoemd in artikel 1:227 jo. 1:228 BW. Verzoekster heeft inmiddels contact gekregen met de biologische ouders. Uit productie 10, 12 en 13 blijkt dat de biologische ouders instemmen met de adoptie en dat de minderjarige niets meer van zijn biologische ouders in hoedanigheid van ouders te verwachten heeft.
De rechtbank heeft verzoekster voor de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat het verzoek op de mondelinge behandeling niet inhoudelijk wordt behandeld, maar dat op deze mondelinge behandeling slechts wordt besproken of verzoekster ontvankelijk is ten aanzien van haar verzoek, omdat de rechtbank en hof in deze zaak al uitspraak hebben gedaan. De rechtbank heeft verzoekster verzocht op dit onderwerp voor te
bereiden. Om die reden is de raad voor de kinderbescherming niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling.
De rechtbank is, anders dan verzoekster, van oordeel dat geen nieuw verzoek voorligt, maar eenzelfde verzoek tot adoptie van de minderjarige zoals in 2024 aan de rechtbank is voorgelegd. Het gerechtshof heeft in 2025 het adoptieverzoek nogmaals getoetst en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Verzoekster is tegen dit oordeel niet in cassatie gegaan. Wat er ook zij van de reden waarom zij geen cassatie heeft ingesteld, feit is dat de rechtbank en het gerechtshof het adoptieverzoek hebben beoordeeld en dat hetzelfde verzoek met dezelfde omstandigheden nogmaals ter beoordeling aan de rechtbank voorligt.
Verzoekster stelt dat de Wobka onjuist door het gerechtshof is toegepast. Als de Wobka onjuist door het gerechtshof is toegepast, dan was het aan de hoge raad geweest om daarover een uitspraak te doen en niet aan deze rechtbank. Verzoekster stelt gewijzigde omstandigheden, omdat zij nu wel een verklaring van de biologische ouders heeft overgelegd. Feitelijk heeft verzoekster slecht een onderbouwing willen geven van een standpunt dat ook in de eerste procedure al is ingenomen. Het adoptieverzoek komt neer op een rechtsmiddel tegen de beschikkingen van de rechtbank en het gerechtshof. De wet biedt die mogelijkheid niet.
Verzoekster beroept zich ten aanzien van het belang van de minderjarige op het Nederlandse protocol afstand tot adoptie en/of artikel 3 IVRK en/of artikel 8 EVRM. Voor zover verzoekster met dat beroep betoogt dat eerbiediging van het privéleven en toetsing van het belang van de minderjarige rechtspraak bij drie (mogelijk vier) feitelijke instanties noodzakelijk maakt of verplicht, volgt de rechtbank dat betoog niet. Voor zover het Nederlandse protocol afstand tot adoptie en/of artikel 8 EVRM en/of artikel 3 IVRK de conclusie rechtvaardigen dat de adoptie had moeten worden toegewezen, is dat een conclusie die de rechtbank bij de behandeling van de eerste procedure had moeten trekken of het gerechtshof in appel of de hoge raad in cassatie. Ook aan de stelling van verzoekster dat het ontbreken van een familieband niet in het belang van de minderjarige is, omdat dit leidt tot diverse beperkingen in het dagelijks leven, onder meer bij het reizen naar het buitenland en bij het nemen van medische beslissingen over de minderjarige (vanwege zijn autisme), gaat de rechtbank voorbij. Nog daargelaten of dit een grond vormt om voorbij te gaan aan het oordeel van de rechtbank dat het verzoek neerkomt op een rechtsmiddel tegen de twee voorgaande beschikkingen, heeft verzoekster haar stelling niet onderbouwd.
Alles overziend zal de rechtbank verzoekster niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
4 De beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet ontvankelijk in het verzoek tot adoptie.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Siemons, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 2 juni 2026. |
||
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.