Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713377 / FA RK 26-374
Beschikking van 3 juni 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam,
t e g e n
[de man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 19 december 2025;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 februari 2026;
-
het bericht met bijlagen van de man van 15 mei 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2 De vaststaande feiten
Partijen zijn volgens de Basisregistratie Personen (BRP) op 25 oktober 1994 in Oujda, Marokko met elkaar gehuwd.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
Partijen zijn ook de ouders van drie meerderjarige kinderen.
De man heeft een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummers: C/10/708197 / FA RK 25-7722 en C/10/712461 / FA RK 25-9884. De mondelinge behandeling is bepaald op 14 augustus 2026.
3 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Deze zaak heeft een internationaal privaatrechtelijk karakter. Om die reden ligt zowel de rechtsmacht van deze rechtbank als het toe te passen recht ambtshalve ter beoordeling voor. De rechtbank stelt op grond van de omstandigheden van partijen vast dat zij bevoegd is op alle verzoeken te beslissen en dat op elk verzoek Nederlands recht moet worden toegepast.
Toevertrouwing van de minderjarige
De vrouw verzoekt de minderjarige aan haar toe te vertrouwen.
De man weerspreekt het verzoek niet.
Het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
Zorgregeling
De man verzoekt een voorlopige regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man uitgelegd dat hij ruim een jaar geleden is vertrokken uit de echtelijke woning en dat hij sindsdien in zijn autogarage woont. Hij heeft geen contact meer met de minderjarige. De rechtbank begrijpt dat de man dat het liefst anders had gezien. De man heeft duidelijk gemaakt dat hij wil doen wat het beste is voor de minderjarige. Hij wil in haar belang handelen en heeft daarom zijn verzoek om een voorlopige zorgregeling vast te stellen ingetrokken. In de bodemprocedure heeft hij ook verzocht om een regeling vast te stellen en in die procedure is reeds een bijzondere curator benoemd. De man wil de bijzondere curator de ruimte geven om te onderzoeken of, en zo ja hoe, het contact met de minderjarige hersteld kan worden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om een voorlopige zorgregeling vast te stellen afwijzen.
Partijen hebben daarna nog wel afgesproken dat er een (video)belmoment tussen de man en de minderjarige zal plaatsvinden. Zij zijn overeengekomen dat de minderjarige de man op 21 mei 2026 om 17.00 uur belt. De meerderjarige zus of één van de meerderjarige broers van de minderjarige mag ook in de ruimte aanwezig zijn. Omdat niet gebleken is dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet, zal de rechtbank deze afspraak opnemen in de beschikking. De advocaat van de man heeft toegezegd dat hij de bijzondere curator over het belmoment zal informeren.
Bijzondere curator
De man heeft zijn verzoek om een bijzondere curator te benoemen ingetrokken, omdat er in de bodemprocedure al een bijzondere curator is benoemd. De rechtbank wijst het verzoek af.
Woning
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats] en de man te bevelen de woning te verlaten en hem te verbieden de woning verder te betreden, met machtiging voor de vrouw om deze beschikking zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van politie en justitie.
De man weerspreekt het verzoek niet.
Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
Het verzoek om de beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen. Bij de verkrijging van het uitsluitend gebruik van de woning hoort het bevel dat de andere echtgenoot die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden. Door dit bevel is de vrouw in het bezit van een rechtsgeldige titel voor tenuitvoerlegging van de ontruiming met behulp van de sterke arm.
Lasten van de echtelijke woning
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de hypotheeklasten van de echtelijke woning, inclusief de inmiddels ontstane achterstand, blijft voldoen tot een beschikking in de bodemprocedure is gewezen.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplicht zijn voor de eigenaarslaten van die woning en dat de gebruikerslasten waaronder gas, water, elektriciteit en het gebruikersaandeel van de gemeentelijke heffingen, voor rekening van de vrouw komen.
De hiervoor genoemde verzoeken van partijen vallen niet onder de in artikel 822 Rv gegeven opsomming van te vragen voorlopige voorzieningen en zullen als niet op de wet gegrond worden afgewezen.
Onderhoudsbijdragen
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man voorlopig moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage) met een bedrag van € 811,- per maand, en ook dat hij voorlopig moet bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: de partnerbijdrage) met een bedrag van € 514,- bruto per maand.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt om te bepalen dat hij aan de vrouw een voorlopige kinderbijdrage moet betalen van € 468,- per maand. Voor de partnerbijdrage ontbreekt draagkracht, aldus de man.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen voorlopige onderhoudsbijdragen in geschil. De rechtbank zal de bijdragen berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Kinderbijdrage
De ingangsdatum
Artikel 822 lid 2 Rv bepaalt dat voor de datum van ingang van de door de rechtbank vastgestelde voorlopige voorzieningen de dag van de dagtekening van de beschikking als uitgangspunt geldt. Op grond van de stukken en dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling ziet de rechtbank geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank stelt de ingangsdatum daarom vast op 3 juni 2026.
De behoefte
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot begin 2025 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over dat jaar.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 1) het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024 (productie 4), waarop een jaarloon staat genoemd van € 17.286,-, op € 1.440,- per maand. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De man is ondernemer. Hij heeft een autogarage. Volgens de vrouw moet uitgegaan worden van de winst uit 2023. Volgens de man moet uitgegaan worden van de gemiddelde winst van de afgelopen drie jaar. Voor het NBI van de man gaat de rechtbank, uit van de gemiddelde bruto winst uit onderneming van 2022 tot en met 2024, omdat dit een representatief beeld geeft van de welstand waarin partijen met de minderjarige geleefd hebben. De man heeft over diverse jaren een aangifte inkomstenbelasting overgelegd en de jaarrekening van 2024. Uit deze stukken volgt een bruto winst uit onderneming over 2022 van € 37.313,- een bruto winst uit onderneming over 2023 van € 97.265,- en in het jaar 2024 bedroeg de bruto winst € 82.988,-. Het gemiddelde van deze bedragen is € 75.522,- bruto per jaar. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 1) het NBI van de man aan de hand van deze gegevens op € 4.308,- per maand. Daarbij is rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Ook zijn de volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 5.748,- per maand. Dit netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 777,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 levert dat op een bedrag van € 813,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op dat bedrag.
Draagkrachtberekening
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
Hiertoe moet eerst het huidige netto NBI van partijen vastgesteld worden. Gelet op de ingangsdatum van de vaststelling van de kinderbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
Draagkracht vrouw
De rechtbank is over het algemeen terughoudend met het aannemen van een verdiencapaciteit in een voorlopige voorzieningenprocedure. De man heeft benoemd dat er aan de zijde van de vrouw sprake zou zijn van een verdiencapaciteit. Hij heeft aan deze stelling vervolgens geen concrete consequenties verbonden en tijdens de mondelinge behandeling heeft hij gezegd dat de rechtbank uit kan gaan van de berekening die de man heeft gemaakt op basis van het werkelijke inkomen van de vrouw. Hierom en vanwege de aard van de procedure, zal de rechtbank uitgaan van de werkelijke inkomensgegevens van de vrouw. Het onderwerp van de verdiencapaciteit kan, desgewenst, verder besproken worden in de bodemprocedure.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw op € 1.656,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente uitkeringsspecificaties):
- WW-uitkering (afgerond) € 1.194,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 6.720,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
De vrouw heeft een inkomen op bijstandsniveau. Haar draagkracht wordt daarom aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het Alimentatierapport vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.
Draagkracht man
Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijkt de rechtbank in beginsel naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Hoewel dat gemiddelde bruto winst uit onderneming helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen (paragraaf 2.3.2. van het rapport).
De man heeft uitgelegd dat de afgelopen periode zwaar voor hem was en dat zijn onderneming inmiddels niet goed meer loopt. Hij heeft verklaard dat er geen geld meer is. Aan deze stellingen worden echter geen concrete consequenties verbonden en ook zijn er geen stukken overgelegd waaruit opgemaakt kan worden dat de onderneming van de man zich in zwaar weer bevindt. Bij gebrek aan nadere gegevens gaat de rechtbank daarom opnieuw uit van een gemiddelde bruto winst over de afgelopen drie jaren.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man € 4.316,- per maand. De zelfstandigenaftrek en de MKB-vrijstelling is daarbij in aanmerking genomen. Ook is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.159,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.159,- / € 1.184,- x € 813,- = € 796,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 1.184,- x € 813,- = € 17,- +
samen € 813,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 796,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 17,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Omdat er al langere tijd geen contact is tussen de man en de minderjarige wordt de toepassing van de zorgkorting achterwege gelaten.
Conclusie
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 796,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Partnerbijdrage
De ingangsdatum
De rechtbank stelt de ingangsdatum van de partnerbijdrage vast op 19 december 2025 en verwijst daarbij naar rechtsoverweging 3.7.5.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan de partnerbijdrage berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van € 5.748,- netto per maand in 2025. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarige in dat jaar van € 777,- per maand. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 2.983,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 3.120,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende behoefte van de vrouw moet haar huidige inkomen in mindering worden gebracht. De rechtbank becijfert het huidige NBI van de vrouw op
€ 1.096,- netto per maand. Zij verwijst voor de motivering daarvan naar rechtsoverwegingen 3.7.12 en 3.7.13. en naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2. Het NBI van de vrouw is met dezelfde inkomensgegevens als bij de kinderbijdrage lager bij de partnerbijdrage, omdat bij de partnerbijdrage het kindgebonden budget in mindering wordt gebracht. Na aftrek van het NBI van de vrouw een aanvullende behoefte van € 3.740,- bruto per maand.
Draagkracht man
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen. De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2) het NBI van de man over het jaar 2026 net als bij de kinderbijdrage op een bedrag van € 4.316,- per maand. Zij verwijst voor de motivering ervan naar de rechtsoverwegingen 3.7.16 tot en met 3.7.18. De draagkracht van de man wordt vervolgens, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 994,- per maand.
Conclusie
Na aftrek van de kinderbijdrage van € 796,- per maand resteert een bedrag van
€ 198,- netto per maand, ofwel € 317,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Gelet op het voorgaande is een partnerbijdrage van € 317,- bruto per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats] ;
beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;
bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen, namelijk dat de man en de minderjarige op 21 mei 2026 een (video)belmoment met elkaar hebben. De minderjarige belt de man om 17.00 uur. De meerderjarige zus of één van de meerderjarige broers mag in de ruimte aanwezig zijn tijdens het belmoment;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking, voorlopig als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 796,- per maand;
kent ten laste van de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking een uitkering tot levensonderhoud toe van € 317,- bruto per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J. Veldthuis, griffier, op 3 juni 2026. |
||
Bijlagen: alimentatieberekening
Bijlage 1: behoefteberekening
|
Partij |
Alimentatieplichtige |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Behoefteberekening |
|
Tarieven |
2025-1 |
|
Box 1 Inkomen uit werk en woning |
|||||||
|
Winst uit onderneming (65-75) |
|||||||
|
65 |
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) |
€ |
72.522 |
||||
|
70 |
Winst uit onderneming |
€ |
72.522 |
||||
|
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde) |
|||||||
|
2024 |
€ |
82.988 |
jaar |
||||
|
2023 |
€ |
97.265 |
jaar |
||||
|
2022 |
€ |
37.313 |
jaar |
||||
|
Ondernemersaftrek |
|||||||
|
71/ 72 |
Zelfstandigenaftrek |
- |
€ |
2.470 |
|||
|
- Zelfstandigenaftrek |
€ |
2.470 |
|||||
|
MKB Winstvrijstelling |
- |
€ |
8.897 |
||||
|
75 |
Belastbare winst uit onderneming |
€ |
61.155 |
||||
|
Heffing box 1 (94-95) |
|||||||
|
94 |
Belastbaar inkomen uit werk en woning |
€ |
61.155 |
||||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
13.769 |
|||||
|
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 |
€ |
8.513 |
|||||
|
95 |
Inkomensheffing box 1 |
€ |
22.282 |
||||
|
Besteedbaar inkomen (113-120) |
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
72.522 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
22.282 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
4.675 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
17.607 |
|||
|
Inkomen na aftrek inkomensheffing |
€ |
54.915 |
|||||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
993 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
3.682 |
jaar |
||||
|
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
|||||||
|
Winst uit onderneming |
€ |
61.155 |
|||||
|
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
61.155 |
|||||
|
Maximum bijdrage loon |
€ |
75.864 |
|||||
|
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd |
€ |
75.864 |
|||||
|
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
61.155 |
|||||
|
Percentage Zvw |
% |
5,26 |
|||||
|
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
€ |
3.217 |
|||||
|
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
- |
€ |
3.217 |
||||
|
120 |
Besteedbaar inkomen |
€ |
51.698 |
||||
|
120a |
|||||||
|
Netto besteedbaar inkomen (per jaar) |
€ |
51.698 |
|||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
4.308 |
||||
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Behoefteberekening |
|
Tarieven |
2025-1 |
|
Box 1 Inkomen uit werk en woning |
|||||||
|
Loon volgens jaaropgaaf |
|||||||
|
(60) |
|||||||
|
60 |
Loon volgens jaaropgaaf |
€ |
17.286 |
||||
|
Op het bruto loon ingehouden |
|||||||
|
59 |
Inkomsten (transport) |
€ |
17.286 |
||||
|
Belastbaar loon (61-64) |
|||||||
|
64 |
Belastbaar loon |
€ |
17.286 |
||||
|
Heffing box 1 (94-95) |
|||||||
|
94 |
Belastbaar inkomen uit werk en woning |
€ |
17.286 |
||||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
6.191 |
|||||
|
95 |
Inkomensheffing box 1 |
€ |
6.191 |
||||
|
Besteedbaar inkomen (113-120) |
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
17.286 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
6.191 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
6.861 |
|||
|
Inkomen na aftrek inkomensheffing |
€ |
17.286 |
|||||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.068 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
2.517 |
jaar |
||||
|
Combinatiekorting |
€ |
1.276 |
jaar |
||||
|
120 |
Besteedbaar inkomen |
€ |
17.286 |
||||
|
120a |
|||||||
|
Netto besteedbaar inkomen (per jaar) |
€ |
17.286 |
|||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
1.440 |
||||
|
NBGI voor scheiding |
|||||||
|
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding |
|||||||
|
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige |
€ |
4.308 |
|||||
|
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde |
€ |
1.440 |
|||||
|
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding |
€ |
5.748 |
|||||
|
Eigen aandeel kosten kinderen |
|||||||
|
Eigen aandeel kosten kinderen |
|||||||
|
Ouders hebben in gezinsverband geleefd |
ja |
||||||
|
NBGI voor scheiding |
€ |
5.748 |
|||||
|
Tabel aantal kinderen |
1 |
||||||
|
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel |
€ |
777 |
|||||
|
# |
Indexeren |
ja |
|||||
|
Startjaar |
2025 |
||||||
|
Eindjaar |
2026 |
||||||
|
Eigen aandeel ouders geïndexeerd |
€ |
813 |
|||||
|
Behoefte obv 60% norm |
|||||||
|
Netto Behoefte |
|||||||
|
Netto gezinsinkomen |
€ |
5.748 |
|||||
|
Af: kosten van de kinderen |
- |
€ |
777 |
||||
|
Saldo |
€ |
4.971 |
|||||
|
Netto behoefte obv 60% |
€ |
2.983 |
|||||
|
Netto behoefte |
€ |
2.983 |
|||||
|
# |
Indexeren |
ja |
|||||
|
Startjaar |
2025 |
||||||
|
Eindjaar |
2026 |
||||||
|
Netto behoefte geïndexeerd |
€ |
3.120 |
|||||
Bijlage 2: draagkrachtberekening
|
Partij |
Alimentatieplichtige |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Draagkrachtberekening |
|
Tarieven |
2026-1 |
|
Box 1 Inkomen uit werk en woning |
|||||||
|
Winst uit onderneming (65-75) |
|||||||
|
65 |
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) |
€ |
72.522 |
||||
|
70 |
Winst uit onderneming |
€ |
72.522 |
||||
|
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde) |
|||||||
|
2024 |
€ |
82.988 |
jaar |
||||
|
2023 |
€ |
97.265 |
jaar |
||||
|
2022 |
€ |
37.313 |
jaar |
||||
|
Ondernemersaftrek |
|||||||
|
71/ 72 |
Zelfstandigenaftrek |
- |
€ |
1.200 |
|||
|
- Zelfstandigenaftrek |
€ |
1.200 |
|||||
|
MKB Winstvrijstelling |
- |
€ |
9.058 |
||||
|
75 |
Belastbare winst uit onderneming |
€ |
62.264 |
||||
|
Heffing box 1 (94-95) |
|||||||
|
94 |
Belastbaar inkomen uit werk en woning |
€ |
62.264 |
||||
|
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123) |
€ |
13.900 |
|||||
|
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426 |
€ |
8.782 |
|||||
|
95 |
Inkomensheffing box 1 |
€ |
22.682 |
||||
|
Besteedbaar inkomen (113-120) |
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
72.522 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
22.682 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
4.966 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
17.716 |
|||
|
Inkomen na aftrek inkomensheffing |
€ |
54.806 |
|||||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
1.034 |
jaar |
||||
|
Arbeidskorting |
€ |
3.932 |
jaar |
||||
|
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
|||||||
|
Winst uit onderneming |
€ |
62.264 |
|||||
|
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
62.264 |
|||||
|
Maximum bijdrage loon |
€ |
79.412 |
|||||
|
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd |
€ |
79.412 |
|||||
|
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd |
€ |
62.264 |
|||||
|
Percentage Zvw |
% |
4,85 |
|||||
|
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
€ |
3.020 |
|||||
|
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW |
- |
€ |
3.020 |
||||
|
120 |
Besteedbaar inkomen |
€ |
51.786 |
||||
|
120a |
|||||||
|
Netto besteedbaar inkomen (per jaar) |
€ |
51.786 |
|||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
4.316 |
||||
|
120b |
|||||||
|
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar) |
€ |
51.786 |
|||||
|
120b |
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand) |
€ |
4.316 |
||||
|
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
|||||||
|
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
|||||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
4.316 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Formule |
||||||
|
122a |
Kosten van levensonderhoud |
€ |
1.365 |
||||
|
123a |
Woonbudget |
€ |
1.295 |
||||
|
135a |
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
2.660 |
||||
|
136a |
Draagkrachtruimte |
€ |
1.656 |
||||
|
137a |
Draagkrachtpercentage |
% |
70 |
||||
|
Beschikbaar |
€ |
1.159 |
|||||
|
140a |
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
€ |
1.159 |
||||
|
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie |
|||||||
|
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie |
|||||||
|
120b |
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie |
€ |
4.316 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Formule |
||||||
|
122b |
Kosten van levensonderhoud |
€ |
1.365 |
||||
|
123b |
Woonbudget |
€ |
1.295 |
||||
|
135b |
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie |
€ |
2.660 |
||||
|
136b |
Draagkrachtruimte |
€ |
1.656 |
||||
|
Draagkracht tbv partneralimentatie |
|||||||
|
136b |
Draagkrachtruimte |
€ |
1.656 |
||||
|
137b |
Draagkrachtpercentage |
% |
60 |
||||
|
Draagkracht tbv partneralimentatie |
€ |
994 |
|||||
|
140 |
Beschikbaar |
€ |
994 |
||||
|
Partneralimentatie (141-144) |
|||||||
|
141 |
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting) |
- |
€ |
796 |
|||
|
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie |
- |
€ |
0 |
||||
|
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) |
- |
€ |
796 |
||||
|
142 |
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen |
€ |
0 |
||||
|
Berekende ruimte voor partneralimentatie |
€ |
198 |
|||||
|
143 |
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel |
€ |
198 |
||||
|
144 |
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie) |
€ |
317 |
||||
|
Specificaties voor post: 144 |
|||||||
|
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 2.376 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van: |
€ |
62.264 |
jaar |
||||
|
In de schijf van 37,56% valt € 2.376, € 2.376 x ( 100 / (100 - 37,56)) = |
€ |
3.805 |
jaar |
||||
|
In de schijf van 35,75% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,75)) = |
€ |
0 |
jaar |
||||
|
Het resultaat van de brutering is per jaar |
€ |
3.805 |
jaar |
||||
|
Of per maand |
€ |
317 |
maand |
||||
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
Draagkrachtberekening |
|
Tarieven |
2026-1 |
|
Box 1 Inkomen uit werk en woning |
|||||||
|
Loon (41-50) |
|||||||
|
43 |
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten |
€ |
14.328 |
||||
|
44 |
Vakantietoeslag |
€ |
1.290 |
||||
|
Bruto inkomsten |
€ |
15.618 |
|||||
|
Premies (51-59) |
|||||||
|
Pensioenpremie |
|||||||
|
54 |
Loon voor de premies werknemersverzekeringen |
€ |
15.618 |
||||
|
59 |
Inkomsten |
€ |
15.618 |
||||
|
Belastbaar loon (61-64) |
|||||||
|
64 |
Belastbaar loon |
€ |
15.618 |
||||
|
Heffing box 1 (94-95) |
|||||||
|
94 |
Belastbaar inkomen uit werk en woning |
€ |
15.618 |
||||
|
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123) |
€ |
5.583 |
|||||
|
95 |
Inkomensheffing box 1 |
€ |
5.583 |
||||
|
Besteedbaar inkomen (113-120) |
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
15.618 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
5.583 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
3.115 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
2.468 |
|||
|
Inkomen na aftrek inkomensheffing |
€ |
13.150 |
|||||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.115 |
jaar |
||||
|
Bij: Kindgebonden budget |
€ |
6.720 |
|||||
|
120 |
Besteedbaar inkomen |
€ |
19.870 |
||||
|
120a |
|||||||
|
Netto besteedbaar inkomen (per jaar) |
€ |
19.870 |
|||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
1.656 |
||||
|
120b |
|||||||
|
Af: correctie kindgebonden budget |
- |
€ |
6.720 |
||||
|
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar) |
€ |
13.150 |
|||||
|
120b |
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand) |
€ |
1.096 |
||||
|
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
|||||||
|
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
|||||||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie |
€ |
1.656 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Tabel |
||||||
|
Afwijken van de tabel? |
nee |
||||||
|
140a |
Draagkracht tbv kinderalimentatie |
€ |
25 |
||||
|
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie |
|||||||
|
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie |
|||||||
|
120b |
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie |
€ |
1.096 |
||||
|
Draagkracht wordt berekend op basis van |
Formule |
||||||
|
Afwijken van de tabel? |
nee |
||||||
|
122b |
Kosten van levensonderhoud |
€ |
1.365 |
||||
|
123b |
Woonbudget |
€ |
329 |
||||
|
135b |
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie |
€ |
1.694 |
||||
|
136b |
Draagkrachtruimte |
€ |
-598 |
||||
|
Draagkracht tbv partneralimentatie |
|||||||
|
136b |
Draagkrachtruimte |
€ |
-598 |
||||
|
137b |
Draagkrachtpercentage |
% |
60 |
||||
|
Partneralimentatie (141-144) |
|||||||
|
141 |
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting) |
- |
€ |
17 |
|||
|
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie |
- |
€ |
0 |
||||
|
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) |
- |
€ |
17 |
||||
|
142 |
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen |
€ |
0 |
||||
|
Berekende ruimte voor partneralimentatie |
€ |
-17 |
|||||
|
143 |
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel |
€ |
0 |
||||
|
144 |
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie) |
€ |
0 |
||||
|
Specificaties voor post: 144 |
|||||||
|
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van: |
€ |
15.618 |
jaar |
||||
|
Het resultaat van de brutering is per jaar |
€ |
0 |
jaar |
||||
|
Of per maand |
€ |
0 |
maand |
||||
|
Bruto aanvullende behoefte |
|||||||
|
Netto Behoefte |
|||||||
|
Netto behoefte |
€ |
3.120 |
|||||
|
Berekening Bruto aanvullende Behoefte |
|||||||
|
Netto behoefte aan inkomen |
€ |
3.120 |
|||||
|
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit) |
€ |
1.096 |
|||||
|
Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen |
€ |
17 |
|||||
|
Af: Post 119a kindgebonden budget |
- |
€ |
560 |
||||
|
Restant: |
€ |
-543 |
|||||
|
Kosten kinderen uit eigen inkomen |
€ |
0 |
|||||
|
Zelf beschikbaar netto inkomen |
- |
€ |
1.096 |
||||
|
Netto aanvullende behoefte |
€ |
2.024 |
|||||
|
Bruto aanvullende behoefte |
€ |
3.740 |
|||||