Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 11 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] te [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 3 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- mevrouw E. van Krimpen, schuldhulpverlener van de gemeente Nissewaard,
- mevrouw W. Balgobind, beschermingsbewindvoerder
- mevrouw M. Vermeer, assistent-beschermingsbewindvoerder.
2 De beoordeling
De toelating
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
[verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
Bij het verzoekschrift zijn diverse berekeningen van het vtlb gevoegd. Er is een vtlb die ziet op april 2025, een vtlb die ziet op mei en juni 2025 en een vtlb die ziet op de periode vanaf juli tot en met december 2025 overgelegd. Schuldhulpverlening heeft bij brief van 13 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan de schuldeisers, inhoudende een betaling van 0,6% aan de preferente schuldeisers en 0,3% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] in april 2025 niet volgens het vtlb heeft gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers. Voorts stelt de rechtbank stelt vast dat [verzoeker] vanaf mei 2025 op basis van zijn inkomen geen afloscapaciteit heeft gehad. Om die reden heeft schuldhulpverlening terecht op 22 mei 2025 een nieuw aanbod naar de weigerende schuldeiser gestuurd, dat inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers. De vaststelling in het nulaanbod dat [verzoeker] geen afloscapaciteit heeft, moet op één lijn worden gesteld met een eerste aflossing (als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw). Daarnaast blijkt uit het overgelegde plan van aanpak van de gemeente Nissewaard van 23 juli 2025 en 12 november 2025 dat [verzoeker] vooralsnog niet hoeft te solliciteren. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij momenteel een re-integratietraject volgt. Gelet op de ingediende stukken en dat wat op zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] vanaf 22 mei 2025 niet in staat is geweest om (fulltime) betaalde arbeid te verrichten en daarmee aan de inspanningsverplichting heeft voldaan.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 22 mei 2025, zijnde de datum waarop het (nul)aanbod is gedaan.
3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heeft [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
-
stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 22 mei 2025 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 22 november 2026;
-
draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.1