ECLI:NL:RBROT:2026:6733

Datum uitspraak
29-01-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2600722:R-RK - NL:TZ:2600723:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Moratorium toegewezen. Zes maanden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 29 januari 2026

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode] [plaatsnaam],

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 14 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 15 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 januari 2026.

Ter zitting van 22 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;

  • mevrouw L. Middelburg, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);

  • [naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 24 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Ter zitting heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij in december 2025 onbetaald werk heeft verricht en in januari 2026 enkele klussen heeft gedaan. Ook heeft verzoeker in deze periode diverse sollicitaties verricht. Verzoeker heeft een ondertekende arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij met ingang van 2 februari 2026 een nieuwe baan heeft voor 32 uur per week. Verzoeker zal hiermee een bruto salaris van € 2.200,- ontvangen. De huur van de woning bedraagt € 647,04. De huur van februari 2026 is reeds betaald door het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam. Verzoeker zal de huur van maart 2026 kunnen voldoen met het te ontvangen salaris. Mocht verzoeker hier onverhoopt niet toe in staat zijn, dan zal het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam helpen om ook de huur van maart 2026 te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij thans bezig is met het compleet maken van de aanvraag. Verzoeker heeft echter nog een onderneming die afgewikkeld moet worden alvorens het schuldhulpverleningstraject volledig kan worden opgestart.

3 Het verweer

Verweerster heeft ter zitting bevestigd dat de huur van februari 2026 is voldaan door het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam. Nu verzoeker een nieuwe baan heeft per 2 februari 2026 en er daardoor zekerheid is dat de huur kan worden betaald, is verweerster bereid om mee te werken. Gelet op de onderneming die nog moet worden afgewikkeld, vraagt verweerster zich wel af of het gaat lukken om het schuldhulpverleningstraject binnen zes maanden te doorlopen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2025 heeft overgelegd met daarin onder andere de afspraak dat de huurovereenkomst eindigt en verweerster de ontruiming mag aanzeggen indien verzoeker de aflossing of de lopende huur niet of te laat betaalt. Daarnaast heeft verzoeker een kopie van het exploot van 8 december 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 januari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 april 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur van februari 2026 is door het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam voldaan. Verzoeker heeft per 2 februari 2026 een nieuwe baan waardoor zijn inkomsten voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Mocht verzoeker onverhoopt niet in staat zijn om de huur van maart 2026 te kunnen betalen, dan kan verzoeker nogmaals aanspraak maken op het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam. Verder is verzoeker bezig met het verzamelen van de stukken die van belang zijn voor het opstarten van het schuldhulpverleningstraject. Zodra deze stukken compleet zijn en de onderneming van verzoeker is beëindigd, kan het schuldhulpverleningstraject met de gemeente worden opgepakt. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de kantonrechter van 24 april 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming over te gaan van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 15 januari 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »