ECLI:NL:RBROT:2026:14783

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
12266093 VZ VERZ 26-2783
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Rechtsgeldig ontslag op staande voet. Niet melden door werknemer van uitschrijving bij verplichte opleiding is een dringende reden. Werkgever hoeft geen enkele vergoeding aan werknemer te betalen. Werknemer moet wel onverschuldigd betaald studieverlof terugbetalen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12266093 VZ VERZ 26-2783

datum uitspraak: 8 oktober 2026

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van

[verzoeker] ,

woonplaats : [woonplaats],

verzoeker, verweerder in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. C.R.R. Kirpal, Rotterdam,

tegen

[verweerster] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

verweerster, verzoekster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. S. Prekpalaj, De Bilt.

De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift van [verzoeker], met bijlagen;

  • het verweerschrift van [verweerster] met tegenverzoek, met bijlagen;

  • de spreekaantekeningen van mr. Kirpal;

  • de spreekaantekeningen van mr. Prekpalaj.

1.2.

Op 24 september 2026 is de zaak tijdens een zitting op de locatie Dordrecht met partijen besproken. Aanwezig waren [verzoeker] met mr. Kirpal, en [persoon A] (schooldirecteur [School]) en [persoon B] (HR-adviseur) namens [verweerster] met mr. Prekpalaj.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[verzoeker] werkte sinds 3 februari 2025 bij [verweerster] als leraar ondersteuner op de basisschool [School] in [locatie]. Voor het verrichten van zijn werkzaamheden moest hij ook een Pabo-opleiding volgen. [verzoeker] is op 10 april 2026 op staande voet ontslagen: kort gezegd omdat hij heeft verzwegen dat hij was uitgeschreven bij de Pabo-opleiding. [verzoeker] wil dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en dat zijn loonaanspraak wordt vastgesteld. Als het ontslag op staande voet in stand blijft, wil [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding en transitievergoeding. [verweerster] vindt dat alle verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen en vraagt zelf om [verzoeker] te veroordelen om studieverlof terug te betalen. Als de opzegging wordt vernietigd en een billijke vergoeding zou worden toegekend, verzoekt [verweerster] de kantonrechter het door [verzoeker] gevraagde bedrag aanzienlijk te matigen.

De uitkomst

2.2.

[verzoeker] krijgt ongelijk. Het ontslag is namelijk geldig. [verweerster] hoeft geen enkele vergoeding aan [verzoeker] te betalen. [verzoeker] moet wel onverschuldigd betaald studieverlof aan [verweerster] terugbetalen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.

Het ontslag is geldig

2.3.

De voorwaarden voor een ontslag op staande voet zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden. 1 [verweerster] heeft aan deze voorwaarden voldaan, zoals hierna wordt toegelicht.

Er is een dringende reden

2.4.

Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband. 2 Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden.

2.5.

Voorafgaand aan de indiensttreding is een studieovereenkomst getekend waaruit blijkt dat de benoeming van [verzoeker] tot medewerker van [verweerster] is gekoppeld aan het volgen van de Pabo-opleiding aan de [school]. Vast staat dat [verzoeker] per 1 februari 2026 is uitgeschreven bij de Pabo-opleiding. [verweerster] heeft dit op 7 april 2026 ontdekt na een stagebezoek door de instituutsopleider van de [school]. Bij e-mailbericht van dezelfde dag heeft de instituutsopleider aan de schoolopleider van [School] laten weten dat

[verzoeker] een negatief bindend studieadvies heeft gekregen en moest stoppen met de opleiding. Vervolgens is bij e-mailbericht van 8 april 2026 door de [school] gemeld dat [verzoeker] vanaf 1 februari 2026 niet meer bij de [school] staat ingeschreven.

2.6.

[verzoeker] erkent dat hij de uitschrijving eerder had moeten melden, maar hij betwist dat hij bewust informatie heeft achtergehouden dan wel [verweerster] opzettelijk heeft willen misleiden. Volgens [verzoeker] heeft hij de uitschrijving niet gemeld, omdat hij dacht dat hij het, net zoals een eerdere uitschrijving, nog kon terugdraaien. Bovendien heeft hij aan de kernvoorwaarde van het dienstverband voldaan, namelijk dat hij met de Pabo-opleiding moest starten. Verder voert [verzoeker] aan dat hij door ziekte niet in staat was om openheid van zaken te geven over het negatief studieadvies en de uitschrijving. [verzoeker] heeft echter niet onderbouwd dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het negatief studieadvies en de uitschrijving. Evenmin blijkt dat [verzoeker] door ziekte niet in staat was om openheid van zaken te geven. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is, maar heeft (zoals blijkt uit de probleemanalyse van 3 juli 2026) geen medische gronden geconstateerd die kunnen verklaren waarom [verzoeker] het uitgeschreven zijn van de opleiding per februari 2026 niet tijdig aan [verweerster] had kunnen melden. Zelfs al worden de opmerkingen van de bedrijfsarts weggelaten, dan valt niet in te zien waarom [verzoeker] de uitschrijving niet kon melden. Er zijn meerdere momenten geweest waarop hij dat heeft kunnen doen, zoals tijdens gesprekken met de directeur en de schoolopleider, temeer omdat [verzoeker] niet heeft betwist dat er een open sfeer en een prettige werkrelatie met de directeur was. Dat hij het niet heeft gemeld is onacceptabel.

2.7.

[verweerster] heeft volgens [verzoeker] zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende, althans niet kenbaar, betrokken bij haar besluitvorming. Deze omstandigheden moeten worden bezien tegen de achtergrond van het gehele leerwerktraject, waaronder de aanvankelijk onjuiste veronderstelling dat sprake zou zijn van een verkort opleidingstraject, de moeizame start van de opleiding, de eerdere herstelbare uitschrijving, de mentale overbelasting waarmee [verzoeker] kampte en de herhaalde signalen die hij aan [verweerster] heeft afgegeven dat hij vastliep in de combinatie van werk en studie.

2.8.

Dat [verweerster] het vertrouwen in [verzoeker] heeft verloren is gerechtvaardigd, de persoonlijke situatie van [verzoeker] geeft geen reden daar anders over te oordelen. Een zwaar jaar is geen reden om geen gevolgen aan het handelen van [verzoeker] te verbinden. De omstandigheden die [verzoeker] aanvoert zijn daarvoor niet zwaarwegend genoeg. Bovendien is niet weersproken dat [verweerster] ondersteuning door een intern begeleider en duo-collega heeft aangeboden. Dat de gevolgen van het ontslag voor [verzoeker] groot zijn, maakt de uitkomst ook niet anders. Bij deze beoordeling weegt mee dat het nog een relatief jonge werknemer is, die op dit moment een ZW-uitkering ontvangt ten laste van [verweerster]. [verweerster] heeft op basis van alle feiten en omstandigheden mogen beslissen om de arbeidsovereenkomst per direct te beëindigen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een dringende reden.

Er is onverwijld opgezegd en de reden is onverwijld medegedeeld

2.9.

[verzoeker] stelt zich terecht op het standpunt dat ontslag op staande voet ‘onverwijld’ moet worden gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerster] aan deze eis voldaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] er op 7 april 2026 achter is gekomen dat [verzoeker] per 1 februari 2026 was uitgeschreven van de Pabo-opleiding. Kort daarna, op 9 april 2026, hebben partijen een gesprek gehad. Tijdens dat gesprek is [verzoeker] geconfronteerd met de mededeling vanuit de [school] en in staat gesteld om zijn reactie te geven op de uitschrijving. Op 10 april 2026 heeft [verweerster] de beslissing genomen om [verzoeker] te ontslaan. Het ontslag is daarom onverwijld gegeven zoals bedoeld in de wet.

Conclusie: het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven en [verzoeker] heeft geen recht op een vergoeding

2.10.

De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt daarom afgewezen. Daarmee staat ook vast dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 10 april 2026 is geëindigd. [verzoeker] kan geen aanspraak maken op betaling van het salaris en emolumenten, waaronder vakantietoeslag, over de periode 10 april 2026 tot en met 31 juli 2026 (de datum waarop het dienstverband voor bepaalde tijd zou zijn geëindigd) en [verzoeker] heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding of een billijke vergoeding. [verzoeker] heeft ook geen recht op een transitievergoeding, want de handelwijze van [verzoeker] is ernstig verwijtbaar. 3 Hij heeft immers bewust essentiële informatie over een voor het dienstverband wezenlijke voorwaarde achtergehouden voor [verweerster] en daardoor zijn verplichtingen geschonden en het vertrouwen van [verweerster] ernstig geschaad.

[verzoeker] moet studieverlof terugbetalen

2.11.

[verweerster] vordert € 1.374,01 netto wegens onverschuldigd betaald studieverlof, primair op grond van onverschuldigde betaling4, subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking5. [verzoeker] vindt dat het tegenverzoek moet worden afgewezen omdat de betalingen niet zonder rechtsgrond zijn verricht. Artikel 6 van de studieovereenkomst gaf hem recht op 4 uur betaald studieverlof. De overeenkomst bepaalt volgens hem niet dat dit studieverlof bij latere uitschrijving moet worden terugbetaald. Voor zover [verweerster] feitelijk doorbetaald loon wegens studieverlof terugvordert, geldt volgens [verzoeker] dat zo’n ingrijpende terugbetalingsverplichting vooraf duidelijk moet zijn overeengekomen. Ook is volgens [verzoeker] geen sprake van verrijking van hem, een daarmee samenhangende verarming van [verweerster] en ontbreekt een rechtvaardigingsgrond.

2.12.

De kantonrechter volgt [verweerster] waar zij stelt dat het recht op studieverlof verbonden was aan het volgen van de Pabo-opleiding. Vanaf 1 februari 2026 voldeed [verzoeker] niet meer aan de voorwaarde voor studieverlof en er bestond vanaf dat moment geen grond meer voor het opnemen en uitbetalen van studieverlof. Door de uitschrijving te verzwijgen, heeft [verzoeker] ruim twee maanden ten onrechte de indruk bij [verweerster] in stand gehouden dat hij nog steeds aanspraak kon maken op studieverlof. De betreffende betalingen zijn daarom onverschuldigd verricht als bedoeld in artikel 6:203 BW. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij na uitschrijving in totaal 40 uren studieverlof heeft ontvangen. Omdat geoordeeld wordt dat [verzoeker] daarop geen aanspraak had, wordt [verzoeker] veroordeeld om dit studieverlof terug te betalen.

[verzoeker] moet de proceskosten betalen

2.13.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat hij ongelijk krijgt en ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en nagelaten. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoeker] aan [verweerster] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad

2.14.

Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 6 Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst alle verzoeken van [verzoeker] af;

3.2.

veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerster] te betalen het bedrag van € 1.374,01 netto;

3.3.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, die aan de kant van [verweerster] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.009,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;

3.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst al het andere af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.

452

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »