ECLI:NL:RBROT:2026:14766

Datum uitspraak
05-10-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2616942:R-RK - NL:TZ:2616943:R-RK en NL:TZ:2616944:R-RK - NL:TZ:2616945:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Verzoekers staan onder budgetbeheer. Budgetbeheer waarborgt de betaling van de lasten. Schuldhulpverlening is bezig met het inventariseren van de schulden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]

[nummer 3] - [nummer 4]

uitspraakdatum: 5 oktober 2026

[verzoeker]

en

[verzoekster]

wonende te [straatnaam],

[postcode] [woonplaats],

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 2 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 3 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 28 september 2026.

Ter zitting van 28 september 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • de heer [persoon A],

  • mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekers (hierna advocaat);

  • mevrouw [persoon B], werkzaam bij Stichting Nieuw Vaarwater, budgetbeheerder, tevens schuldhulpverlener (hierna: schuldhulpverlening);

  • de heer [persoon C], werkzaam bij de stichting Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna verweerster).

Mevrouw [verzoekster] kon wegens ziekte niet ter zitting verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.

Verzoekers hebben inkomsten uit een gezamenlijke Participatiewetuitkering van € 1.926,40, alsmede huurtoeslag van € 341,-- per maand. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 678,-- per maand te voldoen. Verzoekers maken sinds 25 maart 2026 gebruik van budgetbeheer. De huur wordt door de budgetbeheerder voldaan. De huurtermijn over de maand september 2026 is helaas, door een systeemtechnische fout, te laat, namelijk op 28 september 2026 voldaan. De huur over de maand oktober 2026 is voldaan en voor de maand november 2026 staat de betaling in het systeem van de budgetbeheerder klaar. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat nu een schuldenlast bekend is van €50.000,- maar dat nog niet alle schuldeisers een schuldopgave hebben overgelegd. Schuldhulpverlening gaat de schuldenlast van verzoekers verder inventariseren.

3 Het verweer

Verweerster heeft in beginsel geen bezwaar tegen de toewijzing van het moratorium. Verweerster vraagt zich wel af of de vaste lasten kunnen worden voldaan. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat als verzoekers meewerken aan het schuldhulpverleningstraject en het inkomen van verzoekers stabiel is, de voorlopige voorziening kan worden toegewezen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 30 juni 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij met hun minderjarige kinderen in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers ontvangen inkomsten uit een gezamenlijke Participatiewetuitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de maandelijkse huurtermijnen te voldoen. Verzoekers maken allebei gebruik van budgetbeheer bij stichting Nieuw Vaarwater en de huurtermijnen voor de maanden september en oktober 2026 zijn voldaan. Door het budgetbeheer wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening is bezig met het inventariseren van de schuldenlast. Na inventarisatie van de schuldenlast kan het schuldhulpverleningstraject verder worden doorlopen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 10 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan [straatnaam] te [postcode] [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorzieningen geldt voor de duur van zes maanden vanaf

3 september 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijn gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.H. Penning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »