RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8481
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Met de besluiten van 15 augustus 2022 heeft de Dienst Toeslagen compensatie toegekend aan eiseres op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met het besluit van 7 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 15 augustus 2022 gegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Partijen hebben de rechtbank verzocht uitspraak te doen zonder zitting. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.1
Overwegingen
2. Eiseres heeft op 24 februari 2026 een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten via Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) met de Staat de Nederlanden (de Staat). In de vso zijn eiseres en de Staat een aanvullende compensatie van € 38.958,- overeengekomen onder verlening van finale kwijting ten aanzien van onder meer “bestuursrechtelijke aanspraken” en “vorderingen tot vergoeding van schades (…) en andere kosten”.
3. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 28 mei 2026 bericht dat vanwege het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de beroepsgronden tegen de integrale beoordeling worden ingetrokken en alleen een beslissing resteert over de proceskosten in beroep en de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4. De rechtbank moet beoordelen of eiseres nog procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep en het verzoek om schadevergoeding.
Procesbelang is het belang dat eiseres heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat eiseres voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor eiseres van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.2
De rechtbank stelt vast dat in de vso is opgenomen dat deze tot doel heeft de onzekerheid over het bestaan en de omvang van de aanvullende compensatie te beëindigen, een einde te maken aan eventuele civielrechtelijke vorderingen en bestuursrechtelijke aanspraken, en geschillen daarover te voorkomen dan wel te beëindigen. In de vso zijn eiseres en de Staat overeengekomen dat met de aanvullende compensatie van € 38.958,- alle schade is gecompenseerd die eiseres heeft geleden als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Dit hebben partijen tot uitdrukking gebracht in artikel 5, eerste lid, van de vso door elkaar finale kwijting te verlenen, ook ten aanzien van “bestuursrechtelijke aanspraken” en “vorderingen tot vergoeding van schades (…) en andere kosten”.
In deze zaak procedeert eiseres over de vergoeding van de kosten van deze procedure en een schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op wat partijen in de vso zijn overeengekomen, stelt de rechtbank vast dat de kosten en schade waarover eiseres nog procedeert, inmiddels zijn vergoed middels het in de vso afgesproken compensatiebedrag. Dat betekent dat het doel dat eiseres met deze procedure wilde bereiken is bereikt met het sluiten van de vso. Haar belang bij een uitspraak van de rechtbank is daarmee komen te vervallen.
Conclusie
5. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding zijn niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-
verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.