ECLI:NL:RBROT:2026:13485

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
ROT 25/9596
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Varia, aanvraag urgentieverklaring op de urgentiegrond geweld en bedreiging. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van zijn aanvraag niet in de urgentieregio woonde. Eiser heeft vrijwillig zijn woning verlaten om vervolgens een aanvraag te doen voor een urgentieverklaring. De Verordening laat geen ruimte om na het verlaten van de woning in aanmerking te komen voor de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging'

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/9596

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. De aanvraag is afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring en aan hem ook geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule toekomt. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de urgentieverklaring terecht is afgewezen en dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule.

Procesverloop

2. Het college heeft met een besluit van 12 augustus 2025 (het primaire besluit) de door eiser gevraagde urgentieverklaring afgewezen.

2.1.

Met een besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is verwikkeld in een echtscheiding. Door de discussies over de echtscheiding liepen de spanningen bij eiser thuis op. Hij heeft de echtelijke woning in [locatie] op 18 april 2025 verlaten om (tijdelijk) bij zijn broer in België te wonen. Eiser heeft werk in Nederland. Hij heeft op 2 juli 2025 een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’.

3.1.

Het college heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen omdat niet aan de voorwaarden voor urgentie op grond van de urgentiecategorie wordt voldaan.

3.2.

Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. Eiser woonde op het moment van de aanvraag niet rechtmatig in een in de urgentieregio gelegen zelfstandige woonruimte. Ook heeft het college geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.

Toetsingskader

4. Uit artikel 3.4.6. van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening) volgt dat een woningzoekende in aanmerking kan komen voor urgentie op grond van de categorie ‘geweld en bedreiging’ als de aanvrager op het moment waarop de urgentieverklaring wordt aangevraagd, rechtmatig een in de regio gelegen zelfstandige woonruimte bewoont, ten aanzien van de aanvrager of één of meer leden van diens huishouden sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, ten gevolge waarvan de aanvrager redelijkerwijs niet langer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen en uit een schriftelijke verklaring van de politie blijkt dat de aanvrager in verband met de hiervoor bedoelde problematiek om veiligheidsredenen niet meer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen.

5. Op grond van artikel 3.1.7. van de Verordening kan het college indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

Heeft het college de aanvraag terecht afgewezen?

6. Eiser voert aan dat het college artikel 3.4.6. van de Verordening onjuist toepast. Volgens eiser leidt het vereiste dat hij in een zelfstandige woonruimte moet wonen in zijn geval tot een evident onredelijk resultaat. Hij betoogt dat eenieder die door geweld of bedreiging de woning moet ontvluchten juist vanwege die noodsituatie zijn woonruimte verliest.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van zijn aanvraag niet in de urgentieregio woonde. Eiser heeft vrijwillig zijn woning verlaten om vervolgens een aanvraag te doen voor een urgentieverklaring. De Verordening laat geen ruimte om na het verlaten van de woning in aanmerking te komen voor de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. Een echtscheiding is geen urgentiegrond en de omstandigheid dat eiser vanwege de echtscheiding heeft gekozen zijn woning te verlaten leidt er niet toe dat het college gehouden is aan hem een urgentieverklaring toe te kennen. Het college heeft de aanvraag daarom in beginsel terecht afgewezen. De rechtbank betrekt hierbij dat iemand die niet in aanmerking komt voor een urgentiegrond wel op grond van de hardheidsclausule een urgentieverklaring kan krijgen.

Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?

7. Eiser voert aan dat het college ten onrechte geen urgentieverklaring heeft toegekend met toepassing van de hardheidsclausule. Eiser stelt dat zijn dakloosheid, in combinatie met het verlies van zijn gezinsleven zorgt voor psychische druk en een structurele ontwrichting van zijn werk en studie. Eiser voert aan dat hij zijn kinderen niet kan zien omdat hij geen woning meer heeft.1

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Eiser verblijft bij zijn broer in België en is dus feitelijk niet dakloos. Het spreekt voor zich dat het verre van ideaal is dat hij dagelijks een forse afstand moet reizen voor zijn werk, maar dit is niet uniek voor werkenden. Ook de kinderen van eiser zijn niet dakloos nu zij bij de ex-partner verblijven. Uit de aanvraag van eiser blijkt dat hij geen melding of aangifte bij de politie heeft gedaan over geweld door zijn ex-partner jegens hem. Dit betekent dat eiser ook voor het overige niet voor de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’ in aanmerking zou komen. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Het doel van artikel 8 EVRM is om een individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen, gelet op bepaalde feiten en omstandigheden, positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser zijn stelling niet nader heeft onderbouwt. Zo is niet gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om zijn kinderen te zien of ergens met hen af te spreken. Het beroep op artikel 8 EVRM slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.

De rechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »