ECLI:NL:RBROT:2026:13095

Datum uitspraak
01-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/722651 / JE RK 26-1321
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/722651 / JE RK 26-1321

Datum uitspraak: 1 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonend in [woonplaats 1],

advocaat mr. S. Broekzitter-Nieuwland, kantoorhoudend in Spijkenisse,

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonend in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 juli 2026, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon A].

1.3.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De GI heeft op de zitting verklaard eerder die dag contact met de vader te hebben gehad. Hij wist niet van de zitting, maar hij heeft aan de GI laten weten in te stemmen met het verzoek (inclusief de hierna te noemen beperking daarvan) en hij heeft niet gevraagd om een aanhouding. De kinderrechter is van oordeel dat bij deze stand van zaken het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid prevaleert boven het belang dat de vader op zitting aanwezig kan zijn. De zaak is daarom buiten aanwezigheid van de vader behandeld.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. In de week voor de zitting heeft [minderjarige] hierover met een andere kinderrechter van deze rechtbank een gesprek gevoerd. De begeleiders van de groep van [minderjarige] hadden niet het bericht ontvangen dat de zitting en het kindgesprek waren verplaatst. De kinderrechter die deze zaak behandelt, was niet op de rechtbank toen [minderjarige] kwam. [minderjarige] vond het heel spannend om naar de rechtbank te komen en daarom heeft een collega-kinderrechter met haar gesproken zodat zij niet nog een keer zou moeten komen. De kinderrechter die met [minderjarige] sprak, heeft uitvoerige aantekeningen laten maken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de [zorg instelling 1].

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 september 2026. Daarnaast is de machtiging verlengd [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Op de zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing. De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en het resterende deel van het verzoek aan te houden. De GI maakt zich nog altijd zorgen over [minderjarige]. [minderjarige] verblijft bij de [zorg instelling 1], maar haar zorgelijke gedrag is nog onverminderd aanwezig. [minderjarige] is in de zomervakantie bij de vader geweest. Zij laat hetzelfde gedrag zien op de groep en bij de vader. Zo scheldt [minderjarige], wordt zij boos en gaat zij slaan. [minderjarige] is ook bij de moeder geweest in de zomervakantie en dit bezoekmoment is positief verlopen. De afgelopen periode heeft het KSCD onderzoek plaatsgevonden. De moeder heeft gisteren een gesprek gehad met het KSCD en hieruit is gebleken dat een vervolgstap een gezinsopname zou zijn. De GI heeft het gezin aangemeld voor een gezinsopname, maar het is nog onduidelijk wanneer dit kan starten. De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot en met de gezinsopname. Dan kan daarna worden bekeken wat er dan moet gebeuren.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de moeder is ter zitting het volgende meegedeeld. Primair verzoekt de moeder om het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder om de maatregelen te verlengen voor de duur van drie maanden en het overig verzochte af te wijzen. De moeder heeft zich de afgelopen twee jaar ingespannen en heeft meegewerkt aan de hulpverlening. Het KSCD-onderzoek is afgerond en de moeder en [minderjarige] gaan deelnemen aan een gezinsopname. Over ongeveer drie maanden zal de gezinsopname plaatsvinden en dit kan op vrijwillige basis. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom niet langer nodig.

4.2.

De GI heeft namens de vader zijn standpunt kenbaar gemaakt. De vader staat achter het verzoek van de GI.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling op zitting is gebleken dat [minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat zij op dit moment nog niet terug kan naar de moeder. [minderjarige] heeft een TIQ van 64 en er zijn vermoedens van trauma- en hechtingsproblemen. Zij heeft behoefte aan zeer duidelijke kaders. Als zaken anders lopen dan gepland, kan zij ontregelen. Dat uit zich in boosheid en schelden. Ook slaat zij soms mensen. Verder wordt zij angstig als ze niet weet wat er van haar wordt verwacht. Eerder dit jaar is haar medicatie (antipsychotica) verlaagd omdat de vader niet langer met het gebruik daarvan instemde. Haar gedrag verslechterde daarna. De medicatie is eerst hervat nadat de familierechter hiertoe in een door de moeder tegen de vader aangespannen kortgeding had besloten. Inmiddels zijn er weer kleine stappen vooruit gezet. [minderjarige] loopt op dit moment bij [zorg instelling 2] voor behandeling. Verder is er sprake van spanningen tussen de ouders: er is geen vertrouwen en onderlinge strijd.

5.3.

[minderjarige] is vanwege de zorgen over haar bij de [zorg instelling 1] geplaatst voor behandeling en diagnostiek. Ook heeft de afgelopen periode er een KSCD-onderzoek plaatsgevonden. Het heeft lang geduurd voordat dit onderzoek kon aanvangen en kon worden afgerond. Inmiddels is het feitelijke onderzoek gedaan. Er is nog geen rapportage beschikbaar, maar de onderzoeksresultaten zijn de dag voor de zitting besproken met de moeder en haar advocaat. Daaruit blijkt dat de vervolgstap een gezinsopname van de moeder en [minderjarige] is, iets waar de moeder ook aan wil meewerken.

5.4.

Om de vervolgstappen te kunnen waarborgen vindt de kinderrechter het van belang dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd voor de duur van een jaar.3 Daarnaast verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 maart 2027. Anders dan de moeder is de kinderrechter van oordeel dat vrijwillige hulpverlening niet toereikend is, juist ook omdat de ouders niet op één lijn zitten (zoals de recente ontwikkelingen rondom de medicatie laten zien).

5.5.

De kinderrechter wijst het meer of anders verzochte af. Het is van belang dat de resultaten van het KSCD-onderzoek worden gedeeld met partijen en dat de moeder en [minderjarige] deelnemen aan de gezinsopname en wordt onderzocht of een thuisplaatsing mogelijk is. Als de GI alsdan meent dat een verlenging van de uithuisplaatsing nodig is, dient ze daarvoor een nieuw verzoek in te dienen.

5.6.

De kinderrechter merkt ten slotte met het oog op een eventuele vervolgzitting over [minderjarige] op dat het kindgesprek op de rechtbank voor [minderjarige] duidelijk heel belastend was. Bij een eventuele vervolgzitting is het zaak om voorafgaand aan de zitting in overleg met de GI en de ouders te kijken wat op dit punt wijsheid is. Dat betekent niet dat [minderjarige] niet gehoord moet worden, maar de vraag is hoe dat het beste in het vat gegoten kan worden.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 5 september 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 maart 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 8 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »