ECLI:NL:RBROT:2026:12411

Datum uitspraak
14-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2617086:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening toegewezen. Rechtbank wijst verzoek opschorting van het loonbeslag toe. Tegen de geschetste achtergrond weegt het belang van verzoeker zwaarder.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet

Rekestnummer: [nummer]

Uitspraak van 14 september 2026

In de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] ,

verzoeker.

Tegen

[verweerster] ,

handelend onder de namen [bedrijf verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: [gemachtigde 1] & [gemachtigde 2] gerechtsdeurwaarders & incasso.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 10 september 2026 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

Verweerster is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze schriftelijk kenbaar te maken. Verweerster heeft niet van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot schorsing van het door de deurwaarder, [gemachtigde 1] & [gemachtigde 2] gerechtsdeurwaarders & incasso, namens [verweerster] handelend onder de namen [bedrijf verweerster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , (hierna: verweerster), gelegde loonbeslag, totdat op het door verzoeker ingediende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist.

Bij herberekening van de beslag vrije voet op 27 augustus 2026 heeft de deurwaarder de beslagvrije voet nader vastgesteld op € 1.045,- per maand. De deurwaarder heeft bij die berekening geen rekening gehouden met de kosten van het beschermingsbewind en evenmin met de kosten die verzoeker moet maken om in zijn inkomen te kunnen voorzien. Verzoeker is met zijn feitelijk besteedbaar inkomen ver onder het bestaansminimum gekomen, zodat hij zijn lopende vaste lasten niet meer kan voldoen. Hierdoor dreigen nieuwe schulden te ontstaan. Ook kan verzoeker, zolang het beslag er ligt, niet ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers sparen.

De beschermingsbewindvoerder heeft op 28 augustus 2026 de deurwaarder verzocht de beslag voet op te hogen. Dit verzoek is afgewezen. Vervolgens heeft schuldhulpverlening op 31 augustus 2026 de deurwaarder verzocht de beslag vrije voet vast te stellen op het vrij te laten bedrag. Ook dit verzoek is afgewezen.

3 De beoordeling

Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie. De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het exploot van 19 juni 2025 heeft overgelegd waaruit blijkt dat de deurwaarder namens verweerster loonbeslag heeft gelegd.

Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw het loonbeslag wordt geschorst.

Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het loonbeslag kan handhaven.

De rechtbank wijst het verzoek tot opschorting van het gelegde loonbeslag toe. Verzoeker heeft een spoedeisend belang nu hij door dit (per eind augustus 2026 herberekende loonbeslag) niet alle vaste lasten kan betalen en hij het risico loopt dat er nieuwe schulden ontstaan. Bij de berekening van de beslag vrije voet door de deurwaarder is immers geen rekening gehouden met de kosten voor beschermingsbewind en de kosten die verzoeker moet maken om inkomen te kunnen genereren. De rechtbank is van oordeel dat tegen de hiervoor geschetste achtergrond het belang van verzoeker zwaarder weegt dan dat van verweerster. Bij deze overweging speelt ook een rol dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds op korte termijn – te weten op 8 oktober 2026 – zal worden behandeld. De rechtbank wijst de verzochte voorziening toe, waarbij in het belang van verweerster zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt tot het moment dat op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal zijn beslist.

4 De beslissing

De rechtbank:

- schorst het door de deurwaarder, namens verweerster, gelegde loonbeslag voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze beschikking is op 14 september 2026 gegeven door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier.1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »