RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1193 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 op het verzet van
[opposante] , uit [woonplaats] , opposante1
(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2026 in het geding tussen
opposante
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, geopposeerde.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposante, de gemachtigde van opposante.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 3 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposante
4. Het beroep van opposante gaat over het besluit op bezwaar van 10 december 2025. Opposante stelt dat zij pas op 28 januari 2026 kennis had genomen van dit besluit, nadat zij hierover zelf contact had opgenomen met geopposeerde. Opposante had het besluit, dat geopposeerde per e-mail heeft verzonden, niet gezien en zij verwachtte het besluit ook per post te ontvangen. Zij meent daarom dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Inhoudelijk stelt opposante dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Zij voert aan dat sprake was van een dringende reden en een acute noodsituatie als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet, omdat direct medische hulp noodzakelijk was en niet kon worden uitgesteld. Verder wijst zij erop dat zij maximaal aanvullend verzekerd was en daarmee heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht. Volgens opposante is daarom geen sprake van een toereikende en passende voorliggende voorziening en is onvoldoende rekening gehouden met haar belangen.
De uitspraak van 3 maart 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Zij heeft daarbij overwogen dat het te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 10 december 2025 rechtsgeldig per e-mail aan opposante is bekendgemaakt, omdat zij eerder toestemming heeft gegeven om langs die weg bereikbaar te zijn. De beroepstermijn liep daarom af op 21 januari 2026. Omdat opposante pas op 5 februari 2026 beroep heeft ingesteld, is het beroep te laat ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De omstandigheid dat het besluit haar tussen andere e-mails niet was opgevallen, dat het een drukke feestmaand betrof en dat zij in die periode een wervelfractuur had opgelopen, heeft niet geleid tot een ander oordeel. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat opposante door haar medische toestand redelijkerwijs niet in staat was beroep in te stellen of in elk geval haar belangen door een ander te laten behartigen.
Het verzet van opposante
6. Opposante stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een termijnoverschrijding. Zij voert aan dat zij geen toestemming heeft gegeven om uitsluitend per e-mail te worden geïnformeerd. Volgens opposante heeft zij door het invullen van haar e-mailadres op het formulier niet uitdrukkelijk toestemming verleend om uitsluitend elektronisch te procederen. Zij heeft enkel het formulier voor de hoorzitting ingevuld en heeft daarbij niet de optie gehad om niet in te stemmen met het elektronisch procederen, nu daar geen vakje voor was. Daarnaast is opposante van mening dat elektronische verzending in dit geval onvoldoende zorgvuldig en betrouwbaar was omdat e-mails tijdens de feestdagen over het hoofd kunnen worden gezien of in de spam kunnen belanden. Verder betoogt zij aan dat geopposeerde zelf bij bericht van 28 januari 2026 heeft meegedeeld dat besluiten uitsluitend per e-mail worden verzonden als het bezwaar digitaal is ingediend, terwijl haar bezwaar zowel per e-mail als per post is ingediend. Volgens opposante mocht zij daarom verwachten dat zij de beslissing op bezwaar ook per post zou ontvangen. Subsidiair stelt zij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Zij stelt dat zij vanwege een in december 2025 opgelopen wervelfractuur in de eerste maanden daarna nauwelijks kon zitten en haar e-mail, die zij alleen op haar desktop ontvangt, daardoor niet heeft gelezen.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Op ‘Bijlage 1 Antwoordformulier hoorzitting’ is vermeld dat berichten naar het opgegeven e-mailadres kunnen worden verzonden. Op het formulier zijn verschillende keuzes opgenomen die door middel van een vakje kunnen worden aangekruist. Voor de toestemming om uitsluitend elektronisch procederen staat geen vakje. Er was dus geen expliciete mogelijkheid om niet met elektronisch procederen in te stemmen. Nu een dergelijke mogelijkheid ontbrak, kan het enkel invullen van een e-mailadres niet worden aangemerkt als uitdrukkelijke instemming met uitsluitend elektronische communicatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het duidelijk communiceert. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank opposante in haar stelling dat zij er niet uitdrukkelijk mee heeft ingestemd dat de beslissing op bezwaar uitsluitend per e-mail zou worden verzonden. De beslissing op bezwaar is daarom niet rechtsgeldig bekend gemaakt en is de beroepstermijn niet overschreden.
8. Gelet op hierop heeft de rechtbank in de uitspraak van 3 maart 2026 ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 3 maart vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
10. Opposante krijgt een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Geopposeerde moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Het indienen van een verzetschrift levert 0,5 punt op en het verschijnen ter zitting levert eveneens een punt op met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt geopposeerde in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: