RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/720399 / JE RK 26-1024
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot opheffing ondertoezichtstelling en tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende in Rotterdam,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 27 mei 2026;
-
de briefrapportage met bijlage van de GI van 10 juni 2026, ontvangen op 10 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1 van de GI] en [vertegenwoordiger 2 van de GI] .
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt, omdat zij naar school is.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.
Bij beschikking van 19 december 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 19 december 2025 tot 19 december 2026.
De GI heeft op 15 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing (SA) gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“Besluit:
de GI geeft de volgende aanwijzingen:
- u werkt mee aan regelmatig contact en huisbezoeken van de jeugdbeschermer;
- u staat gesprekken toe tussen de jeugdbeschermer en [voornaam minderjarige] ;
- u werkt mee aan de inzet van noodzakelijke hulpverlening zoals benoemd in de beschikking van de kinderrechter;
- u staat toe dat de jeugdbeschermer [voornaam minderjarige] op school spreekt indien dit noodzakelijk wordt geacht.”
3 Het verzoek
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 15 mei 2026 geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren en de ondertoezichtstelling te beëindigen c.q. op te heffen
en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. De moeder heeft bij de GI aangegeven dat het niet goed gaat met [voornaam minderjarige] . Vervolgens is [voornaam minderjarige] door de GI uit huis geplaatst en in de crisisopvang geplaatst. Op deze plek is [voornaam minderjarige] op een groep met oudere meiden terechtgekomen, is zij gaan vapen en is zij weggelopen. Door de GI is daarop geen actie ondernomen. De moeder is boos over de aanpak van de GI. De moeder wilde hulp. De GI heeft echter geen hulp ingezet en geen ondersteuning gegeven. Het wijkteam wilde hulp bieden. Door de verleende ondertoezichtstelling is de hulp vanuit het wijkteam niet van de grond gekomen. Er zijn onlangs nepnaaktfoto’s van [voornaam minderjarige] gemaakt en rondgestuurd. Daarvan is [voornaam minderjarige] zodanig geschrokken dat zij in is gaan zien dat zij met de verkeerde mensen is omgegaan. Daarom komt [voornaam minderjarige] sinds april 2026 niet meer buiten en is de situatie sindsdien verbeterd. Dat er volgens de GI weinig tot geen contact met de moeder is ontstaan, is te wijten aan het feit dat de GI altijd overdag met de moeder probeert in contact te komen terwijl zij dan werkt. Twee eerdere jeugdbeschermers hebben tegen de moeder gezegd dat zij overdag bereikbaar moet zijn en als dat niet mogelijk is dat zij haar baan dan moet opzeggen. Daarmee was de moeder het niet eens.
In aanvulling op het betoog van haar advocaat heeft de moeder het volgende verklaard. De moeder wil niet meer meewerken met de jeugdbescherming, ook niet aan huisbezoeken. Door de GI wordt uitsluitend verslag gedaan van negatieve bevindingen en verouderde informatie. De samenwerking met de GI is verslechterd vanwege de wisselingen in jeugdbeschermers in de afgelopen periode. De moeder is erachter gekomen dat [voornaam minderjarige] licht verstandelijk beperkt is. Vervolgens heeft de moeder besloten om de afspraak van [voornaam minderjarige] met de jeugdbeschermer niet door te laten gaan, omdat [voornaam minderjarige] professionele hulp nodig heeft. Vervolgens heeft de jeugdbeschermer zonder de toestemming van de moeder [voornaam minderjarige] op school gesproken. De situatie met [voornaam minderjarige] is inmiddels verbeterd. In februari 2026 is [voornaam minderjarige] voor het laatst weggelopen. De vrienden hebben van [voornaam minderjarige] misbruik gemaakt en vormden een gevaar voor haar en niet de moeder. De moeder erkent dat zij [voornaam minderjarige] in het verleden twee keer heeft geslagen. De moeder bestrijdt echter dat zij [voornaam minderjarige] nog steeds slaat. [voornaam minderjarige] doet hierover uitspraken, omdat dit haar manier is om ervoor te zorgen dat zij buiten kan zijn met jongens. Desgevraagd heeft de moeder erkend dat zij sinds januari 2026 in de ziektewet is en dat de situatie met [voornaam minderjarige] door [voornaam minderjarige] ’s gedrag in april 2026 is geëscaleerd. [voornaam minderjarige] wilde de hond uitlaten terwijl de moeder heeft gezegd dat zij niet naar buiten mag gaan. Vervolgens heeft [voornaam minderjarige] met voorwerpen geslagen en is zij toch naar buiten gegaan. Daarom heeft de moeder zelf hulp bij de wijkagent en de huisarts gezocht. De huisarts heeft gesprekken met [voornaam minderjarige] gevoerd en is bezig om haar aan te melden voor aanvullende hulp en met de aanvraag van een onderzoek vanwege signalen van autisme. Daarmee heeft de moeder voldoende hulp. Ook heeft zij ondersteuning van haar familie. De ondertoezichtstelling kan dan ook worden beëindigd.
De GI heeft verzocht om de verzoeken van de moeder af te wijzen en ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aangevoerd. De gronden voor de ondertoezichtstelling zijn nog altijd aanwezig. Er zijn nog steeds zorgen over de veiligheid, de beïnvloedbaarheid, het wegloopgedrag en de emotieregulatie van [voornaam minderjarige] en over de relatie tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Er zijn meerdere meldingen van Veilig Thuis (VT) dat het niet goed gaat tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Er zijn ook zorgen over de draagkracht en de opvoedcapaciteiten van de moeder. In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling is een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken geweest. In het kader van de ondertoezichtstelling is de huidige jeugdbeschermer aangesteld en sinds 12 januari 2026 betrokken bij het gezin. Vervolgens is een eerste contact tussen de jeugdbeschermer en de moeder positief verlopen. Ondanks het sturen van meerdere brieven aan de moeder en telefonische contactpogingen is het niet gelukt om met de moeder contact te krijgen en om een huisbezoek af te leggen De jeugdbeschermer is verantwoordelijk voor [voornaam minderjarige] . Omdat de moeder niet heeft meegewerkt aan een gesprek tussen [voornaam minderjarige] en de jeugdbeschermer heeft de jeugdbeschermer [voornaam minderjarige] op school zonder de toestemming van de moeder gesproken. Door de houding van de moeder is hulpverlening vanuit Spam niet van de grond gekomen en is begeleiding van een jongerencoach vanuit JOZ (Stichting Jongerenwerk Op Zuid) beëindigd. De moeder stelt dat zij overdag vanwege haar werk niet bereikbaar is terwijl in de laatste VT-melding is vermeld dat de moeder niet meer werkt sinds januari of februari. Uit een VT-melding is gebleken dat [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat zij door de moeder is mishandeld.
De komende periode wil de GI alsnog hulpverlening inzetten, zoals Ambulante Spoedhulp en Spam, en onderzoeken of bij [voornaam minderjarige] sprake zou zijn van autisme. Zij is een kwetsbaar meisje dat na de zomervakantie naar de middelbare school gaat. Het is dan ook belangrijk om zicht te krijgen op de thuissituatie.
5 De beoordeling
Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de ondertoezichtstelling opheffen wanneer de gronden voor de ondertoezichtstelling niet langer zijn vervuld. Het formele verweer van de GI dat de moeder hiervoor pas een verzoek mag doen als de GI dat niet heeft gedaan, slaagt niet, nu evident is dat de GI een dergelijk verzoek niet zal doen.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat [voornaam minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en er nog steeds wordt voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. Er zijn nog steeds zorgen over het wegloopgedrag, de signalen van zelfbeschadigend gedrag en de kwetsbaarheid van [voornaam minderjarige] als gevolg van haar cognitieve beperkingen. Ook zijn er zorgen over de relatie tussen en de emotieregulatie van [voornaam minderjarige] en de moeder en de opvoedvaardigheden van de moeder. Daar komt bij dat er in de afgelopen periode meerdere politiemeldingen zijn gedaan. Op 13 januari 2026 is [voornaam minderjarige] weggelopen en heeft zij aangegeven dat zij door haar moeder wordt geslagen. Op 13 april 2026 heeft de politie gemeld dat [voornaam minderjarige] wekelijks is weggelopen en zich niet houdt aan de regels van de moeder. Op 12 april 2026 heeft de politie een melding gekregen over de vermissing van [voornaam minderjarige] . Om 00:55 uur is de politie ter plaatse gegaan en toen bleek [voornaam minderjarige] alweer thuis te zijn. De moeder heeft toen bij de politie aangegeven dat zij niet meer weet wat zij met [voornaam minderjarige] aan moet. Op 23 april 2026 heeft de politie gemeld dat [voornaam minderjarige] nog steeds van huis wegloopt en dat de moeder heeft aangegeven dat zij de situatie met [voornaam minderjarige] niet meer aankan. Dat het nu enige tijd rustig is omdat [voornaam minderjarige] is geschrokken van verspreide (nep)naaktfoto’s is onvoldoende om de zorgen weg te nemen.
De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat op het moment dat de situatie opnieuw tussen [voornaam minderjarige] en de moeder zou escaleren, de moeder in staat zal zijn om deze situatie zelfstandig met hulpverlening in het vrijwillig kader op te lossen. Daar komt bij dat de GI van de moeder geen medewerking ervaart. Zo worden door de moeder geen gesprekken tussen de jeugdbeschermer en [voornaam minderjarige] mogelijk gemaakt, komen contact en huisbezoeken niet tot stand en komt noodzakelijke hulpverlening door de houding van de moeder niet van de grond. Daardoor heeft de GI nog geen zicht op de ontwikkeling en de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] is dan ook nog niet afgewend of verminderd door de hulpverlening.
De kinderrechter is gelet op al het voorgaande van oordeel dat van een opheffing van de ondertoezichtstelling geen sprake kan zijn, nu de gronden voor een ondertoezichtstelling nog altijd aanwezig zijn. Daarom zal de kinderrechter het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing
Op verzoek van een met het gezag belaste ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren op grond van artikel 1:264 van het BW. Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat kader moet de kinderrechter beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, of de relevante belangen kenbaar zijn afgewogen en of het besluit deugdelijk is gemotiveerd.
De kinderrechter wijst ook dit verzoek af. De SA bevat niet meer dan een aantal basisvoorschriften die nodig zijn om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Vanwege de ernst van de hiervoor beschreven zorgen heeft de GI in de afgelopen periode tevergeefs geprobeerd om passende hulpverlening van Spam en een jongerencoach vanuit JOZ in te zetten. Zo zijn er door de GI tevergeefs meerdere contactpogingen naar de moeder gedaan en zijn aan de moeder gesprekken aangeboden, zoals door de GI ter zitting is toegelicht. Deze inspanningen van de GI hebben echter niet geleid tot samenwerking met de moeder. Daarom heeft de GI op 6 mei 2026 een vooraankondiging van de SA aan de moeder gestuurd waarop de moeder niet heeft gereageerd. Vervolgens heeft de GI op 15 mei 2026 de SA aan de moeder verzonden om uitvoering te kunnen blijven geven aan de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het besluit van de GI zorgvuldig tot stand is gekomen, de relevante belangen zijn afgewogen en het besluit deugdelijk is gemotiveerd.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de SA afwijzen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken af.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026. |
||
Tegen de eindbeslissing ten aanzien van de opheffing van de ondertoezichtstelling in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen de eindbeslissing ten aanzien van de Schriftelijke Aanwijzing in deze beschikking staat geen hoger beroep open.1