RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11578354 CV EXPL 25-5024
datum uitspraak: 9 mei 2025
vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: Pernis,
eiseres,
gemachtigde: Juridisch Advies Rotterdam,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ respectievelijk ‘[gedaagde]’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 28 februari 2025, met bijlagen;
-
de aantekeningen van de griffier van de op de rolzitting van 11 maart 2025 mondeling gegeven reactie van [gedaagde] en het daarbij door hem overgelegde schriftelijke verweer;
-
de conclusie van repliek, met bijlagen;
-
de schriftelijke reactie van [gedaagde], met bijlage.
2 Het geschil
[eiseres] heeft (na vermindering van eis) geëist:
-
[gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen € 370,53,
-
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, en
-
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter toelichting daarop heeft zij – samengevat en voor zover nu van belang – gesteld:
-
dat zij met [gedaagde] heeft gecontracteerd ter zake van een serviceabonnement,
-
dat zij hem opdracht heeft gegeven een probleem met haar cv-ketel te verhelpen,
-
dat zij [gedaagde] voor zijn werkzaamheden € 152,- heeft betaald,
-
dat vervolgens gebleken is dat daarmee het probleem niet was verholpen,
-
dat [gedaagde] na aanmaning door [eiseres] het serviceabonnement heeft opgezegd en heeft toegezegd het bedrag van € 152,- aan [eiseres] terug te betalen en ook de hem aangezegde kosten van een door [eiseres] in te schakelen derde, zijnde € 218,53, te vergoeden, maar
-
dat [gedaagde] ondanks aanmaning in gebreke is gebleven die afspraak na te komen.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op wat hij naar voren heeft gebracht en op wat [eiseres] verder nog heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.
3 De beoordeling
[gedaagde] heeft niet betwist het bedrag van € 152,- te zijn verschuldigd. Dit deel van de vordering is daarom toewijsbaar.
Aan het dan nog resterende deel van haar vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de kosten van de door haar ingeschakelde derde zou vergoeden. In dat verband heeft zij verwezen naar door haar als bijlage 5 overgelegde Whatsapp-correspondentie. Daaruit blijkt dat de gemachtigde van [eiseres] op 2 april 2024 aan [gedaagde] heeft geschreven: “Dit in de zin van artikel 6:83 lid c BW. Daarom ben ik nu gerechtigd om een derde uw werkzaamheden te laten controleren en zullen wij u voor de kosten in deze aansprakelijk stellen.”, waarop hij dan reageert: “Prima, succes, nu graag uw rekeningnummer”.
Hierin leest de kantonrechter echter geen toezegging van [gedaagde], die ook heeft betwist dat te hebben gedaan, om de kosten van een door [eiseres] in te schakelen derde te vergoeden, maar eerder een cynische reactie van [gedaagde] op de hem voorgespiegelde (juridische) stappen die [eiseres] zou gaan ondernemen. Nu [eiseres] ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] die kosten zou vergoeden, kan de door [eiseres] aangevoerde grondslag dit deel van haar vordering niet dragen.
Op grond van artikel 25 Rv vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. Op basis van wat [eiseres] heeft aangevoerd, kan echter niet, althans zeker niet zonder meer, de conclusie worden getrokken dat [gedaagde] de door [eiseres] voor de inschakeling van een derde gemaakte kosten bij wege van vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW) zou moeten vergoeden. Daarvoor zou immers ten minste vast moeten staan dat [gedaagde] op grond van het door [eiseres] met hem afgesloten serviceabonnement verplicht was het probleem aan de cv-ketel zonder verdere kosten te verhelpen. Dat heeft [eiseres] echter niet (concreet) gesteld terwijl zij de overeenkomst niet in het geding heeft gebracht. Dat betekent dat ook op deze grond het bedrag van € 218,53 niet kan worden toegewezen.
Dat leidt tot de slotsom dat [gedaagde] hierna wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 152,- en dat het door haar meer gevorderde wordt afgewezen.
Met betrekking tot de proceskosten is van belang dat [gedaagde] met zoveel woorden heeft gesteld dat hij het bedrag van € 152,- wel wilde betalen maar niet kon betalen omdat hij, ondanks dat hij daarom heeft verzocht, niet beschikte over het rekeningnummer van [eiseres]. Daarin kan hij echter niet worden gevolgd. Uit bijlagen 3 en 8 van [eiseres] blijkt immers dat zij op 2 december 2023 en 24 januari 2024 bancaire betalingen aan [gedaagde] heeft gedaan zodat haar rekeningnummer hem bekend was althans behoorde te zijn. Daarbij komt dat [eiseres] volgens haar bijlage 9 [gedaagde] op 9 februari 2024 haar rekeningnummer nog eens per e-mail heeft doen toekomen. Door vervolgens niet te betalen wat hij in ieder geval zelf vond dat hij was verschuldigd – het bedrag van € 152,- – heeft [gedaagde] [eiseres] recht en reden gegeven deze procedure te starten zodat het griffierecht en de explootkosten voor rekening van [gedaagde] komen. Nu partijen in deze procedure beide deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de verdere kosten van de procedure worden gecompenseerd. De door [gedaagde] aan [eiseres] te vergoeden proceskosten worden dan ook begroot op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 90,- aan griffierecht en € 20,- aan nakosten. Dat is in totaal € 258,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat heeft geëist en [gedaagde] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van partijen de zaak aan een hogere rechter zou willen voorleggen.
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 152,-;
bepaalt ten aanzien van de proceskosten dat [gedaagde] [eiseres] een bedrag van € 258,04 moet vergoeden en dat partijen de overige kosten van de procedure zelf dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
654