ECLI:NL:RBROT:2025:5693

Datum uitspraak
29-01-2025
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
FT RK 25/52 en FT RK 25/53
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening toewijzen. Zes maanden. Moratorium. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Budgetbeheer.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 29 januari 2025

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 13 januari 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 13 januari 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 januari 2025.

Ter zitting van 23 januari 2025 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoekster;

  • mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);

  • mevrouw [persoon C] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster wil een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij de Kredietbank Rotterdam. Verzoekster is in de financiële problemen gekomen omdat zij een langere periode geen inkomen had. Verzoekster werkt sinds december 2024 als uitzendkracht in de zorg, bij DuoZorg. Zij werkt hier slechts een paar uur in de week, maar heeft per februari 2025 een nieuwe baan bij Antes. Zij heeft met dat (nieuwe) inkomen voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Bovendien is dan sprake van budgetbeheer. De budgetbeheerder zal zorgdragen voor de betaling van de vaste lasten. Verder heeft schuldhulpverlening ter zitting toegezegd dat zij de huur van de maanden januari 2025 en februari 2025 zal voldoen.

3 Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij in principe geen bezwaar heeft tegen het verzoek, om verzoekster zodoende de mogelijkheid te geven om het minnelijk traject te doorlopen. Zij hechten er evenwel belang bij dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 5 december 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 14 januari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 15 oktober 2024 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster per februari 2025 een nieuwe baan heeft, waarmee zij voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen. Daarnaast is dan sprake van budgetbeheer. Op die manier wordt gewaarborgd dat de huur tijdig en volledig zal worden voldaan. Bovendien heeft schuldhulpverlening ter zitting toegezegd dat zij in de tussenliggende periode zal zorgdragen voor de huurbetaling van de maanden januari 2025 en februari 2025. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 15 oktober 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf

13 januari 2025;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »