ECLI:NL:RBROT:2025:11678

Datum uitspraak
10-10-2025
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
11702997 RR FORM 25-30
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

regelrechter; overeenkomst van geldlening

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11702997 RR FORM 25-30

datum uitspraak: 10 oktober 2025

Vonnis van de regelrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: Rotterdam,

eiseres,

die zelf procedeert,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: Schiedam,

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).

1.2.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • het aanvraagformulier van [eiseres] dat de rechtbank op 15 mei 2025 heeft ontvangen, met bijlagen;

  • het reactieformulier van [gedaagde], met bijlagen;

  • de tijdens de zitting door [eiseres] overgelegde stukken.

1.3.

Op 11 september 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

  • [eiseres] en [naam 1] (echtgenoot);

  • [gedaagde] en [naam 2] (zoon).

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiseres] heeft in 2012 en 2013 geld geleend aan [gedaagde]. Ook heeft [eiseres] een computer voor de zoon van [gedaagde] gekocht. [gedaagde] heeft aan [eiseres] beloofd om het geleende geld en de aankoopprijs van de computer zo snel als mogelijk terug te betalen. Ondanks dat

[eiseres] vanaf 2018 verschillende keren aan [gedaagde] heeft verzocht om het geleende geld terug te betalen, heeft [gedaagde] dit niet gedaan. Volgens [eiseres] moet [gedaagde] nog

€ 1.286,62 aan haar terugbetalen. [eiseres] eist daarom in deze procedure betaling van dit bedrag met rente.

2.2.

[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres]. [gedaagde] stelt dat zij het geld op dezelfde informele manier aan [eiseres] heeft terugbetaald als dat [gedaagde] het van [eiseres] heeft ontvangen. [gedaagde] heeft het idee dat [eiseres] deze procedure is gestart, omdat [gedaagde] niet meer in staat was om haar eicellen aan [eiseres] te doneren en vanwege het geschil dat [gedaagde] heeft met de echtgenoot van [eiseres] over de woning die zij van hem huurt.

Conclusie

2.3.

De eis van [eiseres] wordt grotendeels toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het restantbedrag van de geldlening met rente aan [eiseres] moet terugbetalen.

[gedaagde] moet het geleende geld terugbetalen

2.4.

[gedaagde] moet het geleende bedrag van € 1.286,62 aan [eiseres] terugbetalen. Er komt namelijk niet vast te staan dat [gedaagde] de volledige geldlening aan [eiseres] heeft terugbetaald.

2.5.

[eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat de lening op (informele) wijze door [gedaagde] is terugbetaald. [eiseres] voert aan dat zij naast de betalingen vermeld in haar overzicht van

24 april 2025 geen andere betalingen heeft ontvangen van [gedaagde]. Ook niet op informele wijze. Vanwege deze gemotiveerde betwisting, ligt het op de weg van [gedaagde] om de door haar gestelde (informele) betalingen te bewijzen. Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen, omdat [gedaagde] tijdens de zitting laat weten dat zij geen bewijs kan leveren van de betalingen.

[gedaagde] moet wettelijke rente betalen

2.6.

[gedaagde] moet wettelijke rente betalen, omdat tussen partijen geen ander rentepercentage is overeengekomen. [gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Als dag van verzuim wordt 31 maart 2019 gehanteerd. Dit correspondeert met de uiterste betaaldatum die [eiseres] in haar mail van 4 maart 2019 aan [gedaagde] vermeld. Uit niets blijkt dat [eiseres] eerder aan [gedaagde] een uiterste betaaldatum kenbaar heeft gemaakt voor het terugbetalen van de geldlening.

[gedaagde] moet proceskosten betalen

2.7.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij (grotendeels) ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit). De regelrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 226,00 aan griffierecht. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1.286,62 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 31 maart 2019 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 226,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

572

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »