ECLI:NL:RBROT:2025:10367

Datum uitspraak
16-07-2025
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/10/699808 / HA ZA 25-411
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verstekvonnis inzake geldlening tussen 2 pariculieren

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: C/10/699808 / HA ZA 25-411

Uitspraak: 16 juli 2025

VERSTEKVONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te Gersau, Zwitserland,

eiser,

advocaat: mr. R.M. Burger,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

niet verschenen.

1 Het verloop van het geding

Tegen gedaagde is verstek verleend.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding d.d. 3 mei 2025 en de door eiser in het geding gebrachte producties;

- de stukken van het ten verzoeke van eiser en ten laste van gedaagde gelegde en op 22 april 2025 ingeschreven conservatoire beslag.

2 De beoordeling

Inzake de gevorderde rente over de proceskosten zal worden beslist zoals hierna vermeld.

Voor het overige komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze voor toewijzing vatbaar is.

Gedaagde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiser worden begroot op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 484,30 aan beslagkosten, € 2.723,00 aan griffierecht, € 4.116 aan salaris voor de advocaat en € 178,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals gemeld in de beslissing). Dat is in totaal € 7.646,75.

3 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van € 530.000,00, met de overeengekomen rente ad 5% per jaar over dat bedrag vanaf 12 december 2024 tot 31 maart 2025 en met de overeengekomen rente ad 11,15% per jaar over dat bedrag vanaf 31 maart 2025 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van € 5.354,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de kant van eiser worden begroot op € 7.646,75, met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1578/204

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »