RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9041778 CV EXPL 21-808
uitspraak: 29 juli 2021 (bij vervroeging)
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,
in de zaak van:
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.F.M. Baert,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [naam bedrijf] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
die procedeert in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 15 februari 2021, met producties;
-
de conclusie van antwoord, met producties;
-
het tussenvonnis van 29 april 2021 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 2 juni 2021;
-
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 20 juli 2021.
[gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling van 20 juli 2021 verschenen.
De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
2. De beoordeling
[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 450,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag van 20 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiseres] heeft bij [gedaagde] een ‘kale motor’ gekocht, een basisblok zonder opbouw, en stelt dat dit vorstschade had, waardoor het niet beantwoordde aan de overeenkomst. [gedaagde] heeft betoogd dat het [eiseres] slechts om de drijfstangen te doen was, maar gelet op de door [eiseres] overgelegde tussen partijen gewisselde WhatsAppberichten en het berichtenverkeer van Marktplaats waarin [eiseres] expliciet zegt dat zij alleen het kale blok nodig heeft en zij zich dus niet beperkt tot de drijfstangen, volgt de kantonrechter [gedaagde] niet in dit betoog.
[eiseres] heeft gesteld en [gedaagde] heeft niet betwist dat er een scheur in het motorblok zit en van [gedaagde] vergoeding van de betaalde koopprijs gevorderd. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] aldus een beroep doet op schadevergoeding wegens wanprestatie.
Op grond van artikel 6:74 BW verplicht iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. [eiseres] heeft aan de hand van overgelegde foto’s ter zitting toegelicht dat de door haar vakgarage aangetroffen scheur in het motorblok, die maakt dat het motorblok niet bruikbaar is, door [gedaagde] als ter zake kundige voor de verkoop had kunnen en moeten worden geconstateerd: het met een schroevendraaier oplichten van de klepdekselpakking zou daartoe hebben volstaan. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen en heeft dit dan ook niet weersproken. De kantonrechter ziet geen aanleiding [eiseres] niet in deze toelichting te volgen.
Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het motorblok bij verkoop niet de eigenschappen bevatte die [eiseres] mocht verwachten. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat er geen enkele aanwijzing is dat de scheur na aankoop op 20 april 2020 door vorst of anderszins is ontstaan, zoals [gedaagde] nog heeft gesuggereerd. De omstandigheid dat [gedaagde] , naar hij stelt en door [eiseres] is betwist, een garantie van drie maanden heeft gegeven op het draaiende gedeelte, doet niet af aan de redelijke verwachtingen die [eiseres] bij de koop van het motorblok mocht hebben. [gedaagde] is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst.
De kantonrechter constateert dat [gedaagde] ondanks aanmaningen van [eiseres] niet tot vervanging van het motorblok of tot terugbetaling van de koopsom is overgegaan en dat [gedaagde] zich daar blijkens zijn e-mailbericht van 6 januari 2021 ook niet toe gehouden acht. [gedaagde] is hierdoor in verzuim.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiseres] terecht schadevergoeding heeft gevorderd ter hoogte van de koopprijs, zodat [gedaagde] tot betaling daarvan zal worden veroordeeld, met de door hem niet weersproken gevorderde wettelijk handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 20 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en proceskosten als na te melden.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag vanaf 20 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 126,- aan griffierecht, € 87,61 aan dagvaardingskosten en € 150,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44221