RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8915689 CV EXPL 20-44708
uitspraak: 28 mei 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser],
eiser,
gemachtigde: mr. M.R.S. Nagessersing te Alphen aan den Rijn,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.W. de Boer te Amsterdam.
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
-
de dagvaarding van 2 december 2020;
-
de conclusie van antwoord van 16 februari 2021;
-
de door partijen overgelegde stukken, inclusief de door [eiser] bij zijn brief van 9 april 2021 ingediende stukken;
-
het tussenvonnis van 1 maart 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 19 april 2021.
2. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
[gedaagde] is in de wettelijke schuldsaneringsregeling bewindvoerder geweest van [naam 1] (hierna: ‘[naam 1]’).
[eiser] had op grond van een geldleningsovereenkomst een vordering op [naam 1] van € 45.000,00. [naam 2] (hierna: ‘[naam 2]’) schrijft in een e-mail aan [gedaagde] van 6 maart 2017:
Beste [gedaagde],
Via deze weg het bewijs van openstaande vordering inzake [naam 1].
Graag ontvang ik een bevestiging dat onze vordering is opgenomen.
Alvast bedankt voor de moeite. Ik zie uw reactie graag tegemoet.
Met vriendelijke groet,
[naam 2]
namens [eiser]
In de verificatievergadering in de schuldsaneringsregeling van [naam 1] is op 30 maart 2020 vastgesteld dat [eiser] recht heeft op een uitkering van € 21.620,08.
[gedaagde] heeft [naam 2] gevraagd op welk bankrekeningnummer de uitkering aan [eiser] gestort kan worden. [naam 2] schrijft in een e-mail aan [gedaagde] van 2 april 2020:
Het bedrag kan worden gestort op rekening (…) t.n.v. [naam 3].
[gedaagde] heeft de uitkering op het door [naam 2] genoemde bankrekeningnummer gestort.
3. Het geschil
[eiser] stelt dat [gedaagde] onzorgvuldig gehandeld heeft door klakkeloos het door [naam 2] genoemde bankrekeningnummer van [naam 3] te gebruiken om zijn uitkering uit de schuldsaneringsregeling van [naam 1] op te storten. Door [gedaagde] is hiermee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. [eiser] vordert dit voor recht te verklaren en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de schade die hij ([eiser]) daardoor lijdt: zijn uitkering van € 21.620,08, met rente (€ 202,02 tot aan het uitbrengen van de dagvaarding, en € 991,20 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering.
Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [eiser] en [gedaagde] de vordering en het verweer daartegen onderbouwen.
4. De beoordeling
De kantonrechter gaat er voor de beoordeling van deze zaak van uit dat [gedaagde] inderdaad onrechtmatig gehandeld heeft jegens [eiser] en dat hij ([gedaagde]) daarom verplicht is de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden. Of [gedaagde] echt iets te verwijten valt kan gelet op het volgende in het midden blijven en zal dus niet beoordeeld worden. Welk belang [eiser], los van de schadevergoeding die daarvan het gevolg moet zijn, heeft bij een afzonderlijke verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft, legt [eiser] niet uit en de kantonrechter ziet dat belang ook niet. Die verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.
Als op [gedaagde] een wettelijke verplichting tot schadevergoeding rust, en zoals onder 4.1 overwogen wordt ervan uitgegaan dat dit in deze zaak zo is, is [eiser] als benadeelde verplicht de schade te beperken voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Voldoet [eiser] niet aan deze verplichting, kan dit tot gevolg hebben dat de schade die [gedaagde] aan [eiser] moet vergoeden op grond van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek wordt verminderd. De grenzen van deze verplichting van [eiser] worden bepaald door de redelijkheid en zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De schadevergoedingsverplichting van [gedaagde] wordt op grond van het voorgaande verminderd tot nul. [gedaagde] hoeft dus niets aan [eiser] te betalen. De kantonrechter komt tot dit oordeel, het oordeel dat [eiser] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan, omdat [naam 2] in deze kwestie door [eiser] volledig buiten beeld wordt gelaten. Aan haar is geen uitleg gevraagd over waarom zij het rekeningnummer van [naam 3] aan [gedaagde] heeft doorgegeven en evenmin is, als sprake is van diefstal van het geld door [naam 2], aangifte tegen haar gedaan. Stukken waaruit het tegendeel blijkt zijn in ieder geval niet in het geding gebracht. [eiser] verklaart een en ander door aan te voeren dat hij geen zin heeft in ellende en/of represailles, maar waarom hij hier bang voor zou moeten zijn als hij [naam 2] aanspreekt, legt hij niet uit en onderbouwt hij ook niet. [eiser] heeft [naam 2], een collega uit het café, in 2017 gevraagd zijn vordering op [naam 1] per e-mail in te dienen bij [gedaagde] en zelfs in zijn dagvaarding noemt [eiser] [naam 2] nog zijn secretaresse. Hiermee wordt, ook bij de kantonrechter, sterk de indruk gewekt dat [naam 2] optreedt in opdracht van [eiser]. Het is een kleine moeite, [naam 2] en [eiser] gingen toch immers (ooit) goed met elkaar om, om vóór deze hele zaak op gang te brengen, [naam 2] om uitleg te vragen en/of aangifte tegen haar te doen. Door dit na te laten, laadt [eiser] de verdenking op zich dat hij met [naam 2] (en/of [naam 3]) onder één hoedje speelt, ten koste van [gedaagde]. Deze verdenking staat in de weg aan toewijzing van een schadevergoeding.
De vordering van [eiser] is dus niet toewijsbaar. [eiser] is de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de (na)kosten van de procedure.
Dit vonnis wordt zoals [gedaagde] vordert wat de proceskostenveroordeling betreft ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis, [eiser] in de tussentijd wel alvast aan die veroordeling moet voldoen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
- wijst de vordering van [eiser] af;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op € 996,00 aan salaris voor zijn gemachtigde (2 punten van € 498,00 per punt) en voor het geval [eiser] niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis vrijwillig aan deze veroordeling voldoet, begroot op € 120,00 aan nasalaris, te vermeerderen met betekeningskosten als betekening van dit vonnis plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van de algehele betaling;
- verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
686