ECLI:NL:RBROT:2018:3826
Inhoudsindicatie
Vernietiging arbitrale vonnissen op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Artikel 1065 lid 1 onder a Rv (oud). Opdracht tot het controleren van lashing and securing van aan dek geplaatste lading gegeven door tussenpersoon. Op deze overeenkomst zijn…
Bovenstaande samenvatting komt van Rechtspraak.nl. Voor de volledige tekst van de uitspraak: uitspraken.rechtspraak.nl »
Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald
- Art. 3:33 BW Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Art. 3:35 BW Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Art. 3:66 BW Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Art. 6:217 BW Burgerlijk Wetboek Boek 6
- Art. 1021 Rv Burgelijke Rechtsvordering
- Art. 1049 Rv Burgelijke Rechtsvordering
- Art. 1064 Rv Burgelijke Rechtsvordering
- Art. 1065 Rv Burgelijke Rechtsvordering
Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen
- ECLI:NL:GHARL:2023:10517 — 12-12-2023 Hof Arnhem-Leeuwarden Civiel recht
Bevoegdheidsincident, hof verklaart rechtbank alsnog onbevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen. Partijen zijn gebonden aan arbitragebeding. - ECLI:NL:RBLIM:2026:3342 — 15-04-2026 Rb. Limburg Civiel recht
Consumentenkoop thuisbatterij. Geen wilsontbreken dus wel overeenkomst tot stand gekomen. Geen maatwerkproduct dus herroepingsrecht voor consument. Consument heeft ook gebruik gemaakt van herroepingsrecht. Verkoper moet verrichte aanbetalingen terugbetalen. Geen verrekening ogv… - ECLI:NL:RBZWB:2026:2688 — 01-04-2026 Rb. Zeeland-West-Brabant Civiel recht
Geschil over de vraag of er een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Onvoldoende overeenstemming ten aanzien van de essentialia van de overeenkomst (en ook op andere punten). Ook geen verplichting verder te onderhandelen. - ECLI:NL:RBROT:2026:3489 — 11-03-2026 Rb. Rotterdam Civiel recht
In dit vonnis draagt de rechtbank eiser op in het bewijs van feiten waaruit volgt dat eiser een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met gedaagde. - ECLI:NL:RBROT:2026:2478 — 04-03-2026 Rb. Rotterdam Civiel recht
Deze zaak gaat over de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen tussen eiser en gedaagde(n). De rechtbank komt tot het oordeel dat niet het geval is en wijst de vorderingen daarom af.