ECLI:NL:RBOVE:2026:6376

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/08/351311 / JE RK 26-1480
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Ouders stellen zich niet open voor hulp en komen de omgangsmomenten veelal niet na.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummer: C/08/351311 / JE RK 26-1480

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Zwolle,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 november 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 5 november 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 5 november 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.

3.2.

Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat het met [minderjarige] goed gaat in het pleeggezin. [minderjarige] maakt stappen in zijn ontwikkeling. De omgang van de moeder met [minderjarige] gaat nog wisselend. Het lukt de moeder niet om structureel de geplande omgangsmomenten na te komen. De GI heeft voor de moeder vervoer geregeld, maar dit brengt hierin geen verandering. Als de moeder omgang heeft met [minderjarige] verloopt het liefdevol en met respect voor de pleegouders. De GI ziet dat de moeder wel wil, maar dat het haar niet lukt. De vader van [minderjarige] heeft ook omgang met [minderjarige], maar ook bij hem verloopt dat wisselend. Ook de contacten tussen de GI en de moeder en de vader verlopen wisselend. De ouders zijn zeer passief in het contact, wat veel investering van de GI vraagt. De GI wil in de komende periode uitzoeken waar het perspectief van [minderjarige] ligt.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar mening ter zitting naar voren te brengen.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

[minderjarige] is een baby van negen maanden oud die sinds begin april 2026 verblijft in het huidige pleeggezin. [minderjarige] is bij de moeder uit huis geplaatst vanwege de ernstige zorgen over het middelengebruik van de moeder en haar weigerachtige houding tegenover de hulpverlening. De GI heeft voor het kunnen werken aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij moeder voorwaarden opgesteld. De voorwaarden zien op het middelengebruik, de emotieregulatie en de beschikbaarheid van de moeder. Om aan een deze voorwaarden te voldoen kan de moeder gebruik maken van het 2thepoint-traject van Trias. Helaas komt dit traject niet van de grond, vanwege onvoldoende intrinsieke motivatie van de moeder en de vader. De kinderrechter moet helaas constateren dat er in de situatie van de moeder geen sprake is van een positieve verandering. De ernstige zorgen over het middelengebruik en het onvoldoende meewerken aan de hulpverlening is onveranderd. De moeder is hierdoor niet in staat om [minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die hij nodig heeft, hoe veel liefde zij ook voor hem voelt. Dit maakt dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige]. De kinderrechter is tevens van oordeel dat [minderjarige] nu niet thuis kan keren bij de moeder, gezien haar persoonlijke problematiek. Door zijn jonge leeftijd is [minderjarige] volledig afhankelijk van zijn opvoeder. De moeder kan [minderjarige] nu niet bieden wat hij in de verzorging en opvoeding nodig heeft. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin en er is sprake van een goede hechting. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] van belang is dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd wordt.

5.3.

De moeder kan begeleid omgang met [minderjarige] hebben, maar komt deze regeling vaker niet dan wel na. Voor de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en de moeder is dit niet bevorderlijk. De kinderrechter vindt het positief om te horen dat als de begeleide omgang wel plaatsvindt, dat de moeder dan liefdevol met [minderjarige] omgaat. De kinderrechter hoopt voor de moeder, maar ten zeerste voor [minderjarige], dat er een moment komt waarop de moeder beseft dat bij haar de knop om moet. Het is immers in het belang van [minderjarige] dat de moeder ieder gepland omgangsmoment nakomt. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de moeder de hulpverlening voor haar persoonlijke problematiek accepteert en aangaat, zodat zij een meer beschikbare moeder voor [minderjarige] kan zijn.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten tot 5 november 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een jaar, te weten tot 5 november 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026 door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 23 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »