ECLI:NL:RBOVE:2026:6194

Datum uitspraak
16-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
ZWO 25/3263
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Weigering van een exploitatievergunning, alcoholvergunning, terrasvergunning en een speelautomatenvergunning voor een eetcafé. De burgemeester heeft de vergunningen kunnen weigeren op grond van slecht levensgedrag. Het beroep is ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3263

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats], gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: [gemachtigde 1])

en

de burgemeester van Rijssen-Holten, verweerder, hierna: de burgemeester

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de weigering van de burgemeester om aan eisers een exploitatievergunning, alcoholvergunning, terrasvergunning en een speelautomatenvergunning te verlenen. Eisers zijn het niet eens met deze weigering. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de vergunningen heeft kunnen weigeren op grond van slecht levensgedrag. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. De burgemeester heeft bij besluit van 4 november 2024 de aanvraag van eisers voor een exploitatie-, alcohol-, terras- en speelautomatenvergunning geweigerd.

1.1.

Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 is de burgemeester bij deze weigering gebleven en is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.3.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding

2. Eisers hebben op 11 september 2024 een exploitatievergunning,

alcoholvergunning, terrasvergunning en speelautomatenvergunning aangevraagd voor de overname van [bedrijf] aan de [adres] in [plaats].

2.1.

De burgemeester heeft daarop het primaire besluit van 4 november 2024 genomen.

2.2.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de burgemeester op 9 april 2025 advies gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Het LBB heeft op 30 juni 2025 advies uitgebracht.

2.3.

De burgemeester heeft vervolgens het bestreden besluit genomen onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie en de daarin weergegeven overwegingen.

Besluitvorming

3. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat voor het verkrijgen van een exploitatievergunning onder meer voldaan moet worden aan de voorwaarde dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Volgens de burgemeester is bij eisers sprake van slecht levensgedrag. Aan de weigering van de exploitatievergunning heeft de burgemeester verder ten grondslag gelegd dat sprake is van een onvolledig, onzorgvuldig en niet naar waarheid ingevuld aanvraagformulier. Het gaat hierbij om het aanvraagformulier van 11 september 2024 en het Bibob-formulier van 24 september 2024. Met inachtneming van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob leidt dit tot een weigering van de exploitatievergunning.

Overwegingen

4. De rechtbank gaat ervan uit dat het bestreden besluit betrekking heeft op alle aangevraagde vergunningen.

5. De rechtbank leest het bestreden besluit zo dat de aanvraag is geweigerd op grond van het niet voldoen aan de voorwaarde dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn en op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob. De rechtbank zal de weigering van de aanvraag aan de hand van de beroepsgronden bespreken.

6. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat, anders dan in het verweerschrift wordt gesuggereerd, het onjuist invullen van het Bibob-vragenformulier en het exploiteren van [bedrijf] vanaf 1 januari 2024 zonder de vereiste vergunning (ook) zijn betrokken bij de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag.

Slecht levensgedrag

7. Op grond van artikel 2:28, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Rijssen-Holten moeten leidinggevenden voor het verkrijgen van een exploitatievergunning aan de volgende eisen voldoen:

(…);

b. Zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

(…).

7.1.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Alcoholwet voldoen leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf aan de volgende eisen:

(…);

b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

(…).

7.2.

De burgemeester heeft gelet op onder meer deze bepalingen de Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Rijssen-Holten 2023 (Beleidsregel) vastgesteld. Uit artikel 1.3 van deze Beleidsregel volgt dat de burgemeester het levensgedrag toetst van exploitanten, leidinggevenden en beheerders bij de aanvraag van onder andere een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning. In de bijlage bij de Beleidsregel is een niet-limitatieve opsomming gegeven van feiten en gedragingen die meewegen in de beoordeling van het levensgedrag. In deze lijst staat onder meer diefstal genoemd bij de categorie 'Overig'.

8. Bij het nemen van het bestreden besluit heeft de burgemeester betrokken dat [eiser 1] op 8 maart 2022 is veroordeeld voor diefstal in vereniging, meermalen gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester deze veroordeling terecht betrokken bij de beoordeling of sprake is van slecht levensgedrag aangezien uit de Beleidsregel volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag onderzoek wordt gedaan naar feiten en omstandigheden die zich – in beginsel – in de laatste vijf jaren voorafgaand aan het indienen of wijzigen van de aanvraag hebben voorgedaan en de aanvraag is ingediend op 11 september 2024. Verder staat diefstal in de lijst van feiten en gedragingen die meewegen in de beoordeling van het levensgedrag. Ter zitting heeft [eiser 1] naar voren gebracht dat het hoger beroep tegen de uitspraak van 8 maart 2022 heeft geleid tot een veroordeling voor heling in plaats van diefstal en dat hiervoor een taakstraf aan hem is opgelegd. Daargelaten dat de rechter de situatie ten tijde van het bestreden besluit moet beoordelen, overweegt de rechtbank dat de veroordeling voor heling in plaats van diefstal niet maakt dat de beoordeling door de burgemeester anders zou moeten uitvallen. Ook heling is een serieus delict en staat op de lijst bij de categorie 'Overig'. De burgemeester heeft de veroordeling van [eiser 1] daarom kunnen betrekken bij de beoordeling van slecht levensgedrag.

9. Aan de weigering van de aanvraag in verband met slecht levensgedrag heeft de burgemeester verder ten grondslag gelegd dat sprake is van een onvolledig, onzorgvuldig en niet naar waarheid ingevuld aanvraagformulier. Het gaat hierbij om het aanvraagformulier van 11 september 2024 en het Bibob-formulier van 24 september 2024. [eiser 2] heeft ter zitting toegegeven dat zij het aanvankelijk verkeerd heeft ingevuld door bij de vraag of sprake is van een veroordeling "Nee" in plaats van "Ja" in te vullen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester het foutief invullen van de formulieren mocht betrekken bij de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag. Voor zover ter zitting is beoogd te stellen dat eisers meenden dat het bij de formulieren om de pleegdatum ging en de formulieren op dit punt niet duidelijk waren, volgt de rechtbank dat niet. In beide formulieren is expliciet en voldoende duidelijk gevraagd of er sprake is van een veroordeling in de afgelopen vijf jaren. Dat deze formulieren niet zijn ondertekend, maakt niet dat er geen enkele betekenis aan toe kan komen, zoals door eisers is betoogd. De formulieren zijn door eisers overgelegd als aanvraag dan wel ter ondersteuning van de aanvraag en naar het oordeel van de rechtbank kan de burgemeester het verstrekken van onjuiste informatie betrekken bij de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag. Dat eisers het Bibob-vragenformulier van 5 februari 2025 uiteindelijk correct hebben ingevuld, is hierbij niet van belang. Dat is immers gebeurd, nadat was geconstateerd dat sprake was van het invullen van onjuiste gegevens.

10. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de door het LBB vastgestelde mindere mate van gevaar betekent dat de vergunningen niet geweigerd hadden mogen worden. Ook is volgens eisers niet gebleken dat de burgemeester gebruik heeft gemaakt van de vergewisplicht uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

10.1.

De rechtbank volgt eisers niet in deze betogen. Het LBB heeft in het advies van 30 juni 2025 geoordeeld dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hierbij is verwezen naar artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob. Dit is een ander toetsingskader dan de beoordeling van slecht levensgedrag. Het LBB heeft zich niet uitgelaten over het bestaan van slecht levensgedrag. De kwalificatie van het LBB is dan ook niet doorslaggevend geweest voor de beoordeling door de burgemeester van slecht levensgedrag. Nu de burgemeester het advies van het LBB niet ten grondslag heeft gelegd aan de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag, is hierbij ook geen sprake van een op de burgemeester rustende vergewisplicht.

11. De burgemeester heeft eisers verder nog aangerekend dat zij vanaf 1 januari 2024 [bedrijf] zonder de vereiste vergunningen hebben geëxploiteerd. Hieruit kan worden afgeleid dat eisers het niet zo nauw nemen met de regels. Dit past niet bij de verantwoordelijkheid die op een leidinggevende van een horecabedrijf rust. Ook dit aspect heeft de burgemeester kunnen betrekken bij het aannemen van slecht levensgedrag.

12. Het voorgaande betekent dat de burgemeester redelijkerwijs tot slecht levensgedrag heeft kunnen concluderen. De aanvraag van eisers voor de vergunningen is dan ook terecht afgewezen op grond van slecht levensgedrag. Dat bij het weigeren van de aanvraag op grond van slecht levensgedrag sprake is van een schending van artikel 3:4 van de Awb – zoals in het beroepschrift is gesteld – is onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden. Met de verwijzing naar, en toepassing van, de Beleidsregel en de door de burgemeester gegeven toelichtingen is verder evenmin sprake van een schending van artikel 10 van de Dienstenrichtlijn.

13. Nu de weigeringsgrond slecht levensgedrag de afwijzing reeds kan dragen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de andere in het bestreden besluit opgenomen weigeringsgrond (artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob).

Conclusie en gevolgen

14. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in stand moet worden gelaten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »