RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/341467 / HA ZA 25-412
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
FREDRIKUS HOFF Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]),
gevestigd te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Hoff q.q.,
advocaat: mr. F. Hoff,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.B. Bollen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte vermeerdering van eis tevens overlegging producties van Hoff q.q.,
- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij Hoff q.q. pleitaantekeningen heeft overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat over de vraag of de betaling van € 50.000,-- door [betrokkene] aan [gedaagde] terugbetaald moet worden aan Hoff q.q. Hoff q.q. stelt dat de betaling onverschuldigd is verricht, dan wel dat er sprake is van paulianeus handelen. Volgens [gedaagde] gaat het om de terugbetaling van een geldlening en is er geen sprake van onverschuldigde betaling of paulianeus handelen. De rechtbank oordeelt dat is voldaan aan de voorwaarden van paulianeus handelen en dat Hoff q.q. de betaling rechtsgeldig heeft vernietigd. [gedaagde] moet het bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met kosten, daarom terugbetalen aan Hoff q.q.
3 De feiten
Op 2 oktober 2023 heeft [betrokkene] zijn woning aan de [adres] verkocht en een overwaarde van € 50.943,62 gerealiseerd. Op 3 oktober 2023 heeft [betrokkene] een bedrag van € 50.000,00 betaald aan [gedaagde] onder vermelding van ‘terugbetaling lening.’
Bij vonnis van 21 augustus 2024 is het faillissement van [betrokkene] uitgesproken. Hoff q.q. is benoemd als curator.
Op 26 februari 2025 is [betrokkene] verhoord door de rechter-commissaris. Daar heeft [betrokkene] onder meer verklaard:
‘(…) [gedaagde] heeft mij in de periode van mijn psychose opgevangen en heeft voorzien in mijn levensonderhoud. Dat geld heb ik hem terugbetaald. We praten over een periode van ongeveer 1,5 jaar dat hij mij heeft geholpen. Ik denkt dat hij mij een bedrag van zo’n € 40.000,- á € 45.000,- heeft voorgeschoten. Hij heeft mij opgevangen in de periode 2008/2009. De geldlening die ik aan hem verstrekt voor het pand is in de periode daarna geweest.
Alleen van de geldlening voor het pand hebben we een schriftelijke overeenkomst opgesteld. Van de andere niet. Dat is in gedeeltes gegaan. De ene keer € 1.000,-- de andere keer € 1.500,-- en dan weer € 2.000,--.
[gedaagde] heeft in de periode dat hij mij opving, bijgehouden welke bedragen hij mij gaf. Zelf was ik daartoe niet in staat.
(…)
Toen ik in 2023 [gedaagde] € 50.000,-- terugbetaalde was mijn financiële positie gewoon. Ik weet niet wat voor inkomsten ik toen had. Volgens mij had ik nog wel geld op mij bankrekening. Ik weet het gewoon niet meer. Het was bovendien in de periode dat ik psychisch met heel andere dingen bezig was.
U wijst mij erop dat [bedrijf] op 17 mei 2023 failliet is gegaan. Ik heb na dat faillissement van [bedrijf] niet meer in loondienst gewerkt.
(…)
Ik merk nog op dat [gedaagde] weleens gevraagd heeft of ik in staat was de € 50.000,-- terug te betalen. Dat ging altijd op prettige toon. Ik zei dat ik zou terugbetalen als ik daartoe in staat was.(…)’
Per deurwaardersexploot van 18 augustus 2025 heeft Hoff q.q. een brief van 15 augustus 2025 laten betekenen aan [gedaagde]. In die brief heeft Hoff q.q. het bestaan van een geldleningsovereenkomst tussen [betrokkene] en [gedaagde] betwist. Voor zover er sprake zou zijn van een rechtsgeldige geldleningsovereenkomst op grond waarvan [betrokkene] het bedrag van € 50.000,-- aan [gedaagde] heeft betaald, heeft Hoff q.q. de buitengerechtelijke vernietiging van de terugbetaling/aflossing van € 50.000,-- van 3 oktober 2023 ingeroepen op grond van artikel 42 en 43 Fw.
Per e-mail van 3 september 2025 heeft [gedaagde] twee schriftelijke geldleningsovereenkomsten tussen [gedaagde] als ‘geldgever’ en [betrokkene] als ‘geldnemer’, elk voor een bedrag van € 25.000,--, gedateerd op 29 november 2007 en 14 februari 2009 gedeeld met Hoff. In de geldleningsovereenkomst van 29 november 2007 zijn de volgende bepalingen opgenomen:
‘Artikel 4 - Aflossing
1. Geldnemer zal de lening terugbetalen in termijnen van € 8400 per jaar, telkens vóór de eerste van de maand, te beginnen op 29 november 2008.
(…)
Artikel 5 – Looptijd
De lening dient volledig te zijn terugbetaald uiterlijk op 29 november 2010.
(…)
Artikel 7 – Niet-nakoming
1. Indien Geldnemer zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, kan Geldgever de lening onmiddellijk en volledig opeisen.
(…)
Artikel 8 – Overige bepalingen
1. Wijzigingen van deze overeenkomst zijn slechts geldig indien schriftelijk overeengekomen. (…)’
In de geldleningsovereenkomst van 14 februari 2009 is het volgende overeengekomen:
Artikel 4 – Aflossing
1. Geldnemer zal de lening terugbetalen in termijnen van € 8400 per jaar, telkens vóór de eerste van de maand, te beginnen op 14 februari 2010.
(…)
Artikel 5 – Looptijd
De lening dient volledig te zijn terugbetaald uiterlijk op 14 februari 2012.
(…)
Artikel 7 – Niet-nakoming
1. Indien Geldnemer zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, kan Geldgever de lening onmiddellijk en volledig opeisen.
(…)
Artikel 8 – Overige bepalingen
1. Wijzigingen van deze overeenkomst zijn slechts geldig indien schriftelijk overeengekomen. (….)’
Op 17 oktober 2025 is [gedaagde] verhoord door de rechter-commissaris. Daar heeft [gedaagde] onder meer verklaard:
‘Ja dat klopt, maar ik heb het bedrag niet in een keer uitgeleend maar in twee keer. Dat was tweemaal € 25.000 euro. Hij zat in die periode in een psychose en ik heb hem toen willen helpen. Ik weet niet meer precies de verschillende data maar ik heb de curator wel de schriftelijke overeenkomsten toegestuurd per mail. Ik heb pas bij de tweede keer dat ik [betrokkene] een geldbedrag van € 25.000,-- leende een overeenkomst opgesteld zowel voor de eerste als de tweede keer.
(…)
Ik heb het eerste bedrag in drie delen aan hem betaald en de tweede keer heb ik het bedrag ineens aan hem betaald. Ik heb dat contant gedaan.
(…)
Het klopt niet dat ik hem de ene keer € 1000,-- of € 1500,-- heb gegeven. Het is gegaan zoals ik eerder verklaarde.
(…)
Dat zijn de overeenkomsten die ik de curator heb gemaild. De een is getekend op 19 februari 2009 en de ander op 29 november 2007. Beide overeenkomsten zijn op 14 februari 2009 ondertekend. De datum van 29 november 2007 dat was de datum waarop ik hem het eerste bedrag van € 25.000,-- dat ik hem in drie delen ter hand had gesteld. Die overeenkomst is dus met terugwerkende kracht opgesteld en ondertekend.
(…)
Ik heb [betrokkene] nooit aangesproken over de terugbetaling ondanks dat er in de contracten betalingstermijnen staan. Ik heb dat niet gedaan omdat ik het geld niet nodig had.’
Hoff q.q. heeft op 10 november 2025 ter zekerheid conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken van [gedaagde].
4 Het geschil
Hoff q.q. vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- voor recht verklaart dat de op 3 oktober 2023 door [betrokkene] aan [gedaagde] verrichte betaling/aflossing van € 50.000,00 onverschuldigd aan [gedaagde] is betaald, dan wel dat [gedaagde] als gevolg van die betaling ongerechtvaardigd is verrijkt,
subsidiair:
- voor recht verklaart dat de op 3 oktober 2023 door [betrokkene] aan [gedaagde] verrichte betaling/aflossing van € 50.000,00 een paulianeuze rechtshandeling is die bij brief van 15 augustus 2025 door Hoff q.q. buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel door de rechtbank wordt vernietigd,
meer subsidiair:
- voor recht verklaart dat de op 3 oktober 2023 door [betrokkene] aan [gedaagde] verrichte betaling/aflossing van € 50.000,00, die het gevolg was van overleg tussen [betrokkene] en [gedaagde] dat tot doel had om [gedaagde] te begunstigen, een paulianeuze rechtshandeling ex artikel 47 Fw is die door de rechtbank wordt vernietigd,
uiterst subsidiair:
- voor recht verklaart dat de overeenkomst van omzetting een paulianeuze rechtshandeling ex artikel 42 Fw is die bij e-mail van 24 maart 2026 door Hoff q.q. buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel door de rechtbank wordt vernietigd,
primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair:
-
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 51.542,75 aan Hoff q.q., te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over een bedrag van € 50.000,00 vanaf 15 augustus 2026 tot aan de dag van volledige voldoening,
-
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure en de beslagkosten.
Volgens Hoff q.q. is de betaling aan [gedaagde] onverschuldigd betaald en moet deze worden terugbetaald. Hoff q.q. betwist dat [betrokkene] en [gedaagde] twee geldleningsovereenkomsten zijn aangegaan. Als er al sprake is van een geldlening dan stelt Hoff q.q. dat de vordering tot terugbetaling van de geldlening inmiddels is verjaard en dat de betaling aan [gedaagde] paulianeus is en door Hoff q.q. buitengerechtelijk is vernietigd. Hoff q.q. beroept zich onder meer op de artikelen 42, 43, 45 en 47 Fw.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Hoff q.q., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Hoff, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Hoff q.q. in de kosten van deze procedure. Volgens [gedaagde] was er sprake van een opeisbare schuld die door [betrokkene] is voldaan en is er geen sprake van paulianeus handelen. Verder stelt [gedaagde] dat als de vordering is verjaard, dat de natuurlijke verbintenis is omgezet in een afdwingbare verbintenis.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Hoff q.q. heeft meerdere grondslagen aangevoerd voor zijn vorderingen: primair de onverschuldigde betaling op grond van artikel 6:203 BW of de ongerechtvaardigde verrijking van 6:212 BW en subsidiair de faillissementspauliana van de artikelen 42, 45 en 47 Fw.
Onverschuldigde betaling
Voor een geslaagd beroep op terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling is vereist dat de betaling zonder rechtsgrond is verricht. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv geldt dat op Hoff q.q. de stelplicht en (bij een voldoende gemotiveerde betwisting door [gedaagde]) de bewijslast rusten van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat a) [betrokkene] een betaling heeft gedaan, b) zonder dat daarvoor een rechtsgrond is en c) [gedaagde] de ontvanger is van de betaling.
Het staat vast dat [betrokkene] op 3 oktober 2023 een betaling van € 50.000,-- aan [gedaagde] heeft gedaan. Het geschil tussen partijen draait om de vraag of voor die betaling een rechtsgrond aanwezig was. Hoff q.q. stelt dat er geen rechtsgrond was voor de betaling van [betrokkene] aan [gedaagde] en verwijst daarbij onder meer naar onregelmatigheden in de verklaringen van [betrokkene] en [gedaagde]. [gedaagde] heeft de stelling van Hoff q.q. gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar twee schriftelijke geldleningsovereenkomsten.
Voorshands oordeel dat de betaling zonder rechtsgrond was
Het is volgens de hoofdregel dus aan Hoff q.q. om te bewijzen dat er een rechtsgrond ontbrak, maar in de verklaringen van zowel [gedaagde] als [betrokkene] staan dermate veel onregelmatigheden dat de rechtbank voorshands van oordeel is dat de betaling van [betrokkene] en aan [gedaagde] zonder rechtsgrond was. Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee.
Allereerst is van belang dat de informatie rondom de vraag of er tussen [betrokkene] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen volledig in hun domein ligt en niet in het domein van Hoff q.q. Daar komt bij dat [gedaagde] en [betrokkene] afwijkend van elkaar hebben verklaard. Zo heeft [betrokkene] verklaard dat hij steeds een bedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,-- heeft ontvangen van [gedaagde], terwijl [gedaagde] heeft verklaard de eerste € 25.000,-- in drie gedeeltes aan [betrokkene] te hebben betaald en de tweede € 25.000,-- ineens aan [betrokkene] te hebben betaald. De verklaring van [gedaagde] dat de eerste € 25.000,-- in drie gedeeltes aan [betrokkene] is betaald wordt bovendien niet ondersteund door de schriftelijke overeenkomst, waarin slechts staat dat een bedrag van € 25.000,-- is uitgeleend. Bovendien heeft [betrokkene] verklaard dat er geen schriftelijke overeenkomsten zijn gemaakt, terwijl [gedaagde] nadien twee schriftelijke geldleningsovereenkomsten heeft gedeeld met Hoff q.q. Tot slot weegt de rechtbank mee dat ook [gedaagde] tegenstrijdig verklaard. Ter zitting heeft [gedaagde] namelijk verklaard dat [betrokkene] de schriftelijke overeenkomsten heeft opgesteld, terwijl [gedaagde] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [gedaagde] degene was die de schriftelijke overeenkomsten heeft opgesteld toen hij voor de tweede keer een bedrag van € 25.000,-- zou hebben uitgeleend. De verklaring van [gedaagde] dat de onregelmatigheden komen door het lange tijdsverloop volgt de rechtbank niet, omdat uit de verklaringen van [gedaagde] en [betrokkene] ook blijkt dat zij vaker met elkaar over de geldlening hebben gesproken. Het is dus niet aannemelijk dat de verklaringen op essentiële punten afwijken simpelweg vanwege het tijdsverloop.
Geen bewijsopdracht
Na waardering van de wederzijdse stellingen en het voorhanden bewijsmateriaal en de daarin gelegen onregelmatigheden, acht de rechtbank daarom voorshands bewezen dat de betaling zonder rechtsgrond was. Gelet op het voorshandse oordeel is het gebruikelijk dat [gedaagde] vervolgens in de gelegenheid wordt gesteld om tegenbewijs te leveren tegens het voorshandse oordeel. In dit geval laat de rechtbank een bewijsopdracht achterwege, omdat ook wanneer [gedaagde] zou slagen in het ontzenuwen van het voorshandse oordeel, de rechtbank tot het oordeel komt dat de subsidiaire grondslag (de faillissementspauliana) van de vorderingen van Hoff q.q. slaagt. Dat licht de rechtbank als volgt toe.
Paulianeus handelen
Hoff q.q. legt subsidiair artikel 42 Fw aan zijn vorderingen ten grondslag. Op grond van dat artikel kan een curator een rechtshandeling anders dan om niet die de failliet (in dit geval [betrokkene]) vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht, vernietigen, indien zowel de failliet als degenen met of jegens wie (in dit geval [gedaagde]) de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, bij dit verrichten wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. Uit dit artikel volgt dus dat voor een geslaagd beroep op faillissementspauliana vereist is dat (1) sprake is van een onverplichte rechtshandeling, (2) waardoor de schuldeisers zijn benadeeld en (3) [betrokkene] en [gedaagde] wetenschap hadden van die benadeling. Het is aan Hoff q.q. om voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan de vereisten van faillissementspauliana is voldaan. Hierna zal per voorwaarde worden beoordeeld of daaraan is voldaan.
De vordering tot terugbetaling van de geldlening is verjaard
In de hypothetische situatie dat zou kunnen worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de schriftelijke geldovereenkomsten, geldt het volgende. Uit deze schriftelijke geldleningsovereenkomsten blijkt dat [betrokkene] en [gedaagde] een fatale termijn zijn overeengekomen. Na het verstrijken van de eerste betalingstermijn van respectievelijk 29 november 2008 en 14 februari 2010 zijn de geldleningen volledig opeisbaar geworden en is de verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Uit de verklaringen van [gedaagde] en [betrokkene] blijkt dat de verjaring niet is gestuit. Dat betekent dat de vorderingen tot terugbetaling van de geldleningen zijn verjaard op respectievelijk 30 november 2013 en 15 februari 2010 en dat alleen een niet afdwingbare natuurlijke verbintenis resteert.1 [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat partijen nieuwe afspraken hebben gemaakt over het terugbetalen van de geldlening, maar in de geldleningsovereenkomsten is bepaald dat nieuwe afspraken schriftelijk moeten worden vastgelegd en dat is volgens [gedaagde] niet gedaan. Aan die nieuwe afspraken, als die al zijn gemaakt, kunnen dus geen rechten ontleend worden.
Natuurlijke verbintenis is niet omgezet in een afdwingbare verbintenis
[gedaagde] stelt dat als de vordering is verjaard, deze is omgezet in een afdwingbare verbintenis bij overeenkomst op grond van artikel 6:5 BW. Dat verweer slaagt niet. Voor omzetting is vereist dat sprake is van een overeenkomst. Daarvoor is een aanbod en een aanvaarding van dat aanbod vereist. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit zou blijken dat hij met [betrokkene] een dergelijke overeenkomst is aangegaan. Uit de door [gedaagde] gestelde bewoordingen ‘Is het goed dat ik je uit de overwaarde betaal?’ antwoord: ‘Ja’ is niet af te leiden dat partijen een overeenkomst tot omzetting zijn aangegaan. Partijen moeten immers de bedoeling hebben gehad om een natuurlijke verbintenis om te zetten in een afdwingbare verbintenis en ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] toegelicht dat [gedaagde] niet heeft geweten dat de vordering was verjaard.
Er is sprake van een onverplichte rechtshandeling
Een rechtshandeling is onverplicht, indien er niet een op de wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat. Nu de afspraak om de gestelde geldlening terug te betalen was verjaard en niet meer afdwingbaar was, bestond er in die situatie geen verplichting om terug te betalen (de geldlening af te lossen) en dus is sprake van een onverplichte rechtshandeling. Dat [betrokkene] de morele verplichting voelde om zijn gestelde afspraak met [gedaagde] na te komen, maakt nog niet dat er sprake is van een verplichte rechtshandeling, want die morele verplichting kwalificeert niet als een op de wet of een overeenkomst gebaseerde verplichting.
De schuldeisers zijn benadeeld
Voor een succesvol beroep op de pauliana moeten schuldeisers zijn benadeeld. Er is sprake van benadeling indien één of meer schuldeisers werkelijk in hun verhaalsmogelijkheden blijken te zijn beperkt. De curator heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gezamenlijke schuldeisers benadeeld zijn door het paulianeuze handelen van [betrokkene]. Door de betaling van € 50.000,-- aan [gedaagde] zijn er immers minder liquide middelen beschikbaar waarop de schuldeisers aanspraak kunnen maken bij de verdeling van de boedel.
[betrokkene] en [gedaagde] hadden wetenschap van de benadeling
Het laatste vereiste waaraan moet zijn voldaan is de wetenschap van benadeling van de schuldeisers bij zowel [betrokkene] als [gedaagde]. Hiervoor is geoordeeld dat – in de hypothetische situatie – de vordering tot terugbetaling was verjaard en dat een natuurlijke verbintenis resteerde. Er is dus sprake van een niet opeisbare verbintenis, maar niet van een rechtshandeling om niet. Er moet dus bij zowel [gedaagde] als [betrokkene] wetenschap van benadeling hebben bestaan.
Van wetenschap van benadeling is sprake als ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien.2 Hoff q.q. heeft een beroep gedaan op het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub 2 Fw. Dat artikel bepaalt dat bij voldoening van een niet opeisbare schuld binnen een jaar voorafgaand aan het faillissement wordt vermoed dat de wetenschap bij zowel [gedaagde] als [betrokkene] aanwezig was. Tussen partijen is niet in geschil dat de betaling (3 oktober 2023) heeft plaatsgevonden binnen een jaar voorafgaand aan het faillissement (21 augustus 2024).
Nu sprake is van een rechtshandeling inhoudende de voldoening van een niet opeisbare schuld heeft Hoff q.q. terecht een beroep gedaan op het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub 2 Fw. Het is dan aan [gedaagde] om voldoende feiten te stellen om het wettelijke vermoeden te ontzenuwen. [gedaagde] heeft weliswaar betwist dat het bewijsvermoeden van toepassing is, omdat er geen sprake zou zijn van een niet opeisbare schuld, maar [gedaagde] heeft onvoldoende feiten gesteld om het wettelijke bewijsvermoeden te ontzenuwen. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub 2 Fw en dat daarmee aan de voorwaarden van artikel 42 Fw is voldaan. Aan de door Hoff q.q. gestelde feiten ter onderbouwing van de wetenschap bij [gedaagde] en [betrokkene] komt de rechtbank daarom niet toe.
Conclusie
De primaire en subsidiaire grondslag leiden bij toewijzing tot hetzelfde rechtsgevolg. In beide gevallen moet [gedaagde] namelijk het bedrag van € 50.000,- terugbetalen. Hiervoor is geoordeeld dat de (rechtshandeling tot) betaling van € 50.000,- door [betrokkene] aan [gedaagde] paulianeus is verricht en dat Hoff q.q. deze rechtshandeling terecht heeft vernietigd bij brief van 15 augustus 2025. Dat betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 50.000,-moet terugbetalen aan Hoff q.q. en dat die vordering toewijsbaar is. De subsidiair gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Bij toewijzing van de primair gevorderde verklaring voor recht heeft Hoff q.q. dan geen belang meer en daarom wordt deze afgewezen. De meer en uiterst subsidiaire gevorderde verklaringen voor recht behoeven geen behandeling, omdat de subsidiaire gevorderde verklaring voor recht al is toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
Hoff q.q. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Hoff q.q. heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat over de buitengerechtelijke incassokosten btw is verschuldigd. Daarom zal een bedrag van € 1.275,00 worden toegewezen.
Wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals in het dictum is bepaald.
[gedaagde] moet de beslagkosten betalen
Hoff q.q. vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 380,66 voor kosten deurwaardersexploten en € 1.290,-- voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.290,--), totaal € 1.670,66. Het verschuldigde bedrag aan griffierecht verbonden aan het verzoek om verlof voor beslaglegging (€ 331,00) is reeds in mindering gebracht op het verschuldigde bedrag aan griffierecht in deze bodemprocedure.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hoff q.q. worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
145,45 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.043,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.580,00 |
(2 punten × € 1.290,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
3.957,45 |
6 De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat de op 3 oktober 2023 door [betrokkene] aan [gedaagde] verrichte betaling/aflossing van € 50.000,-- een paulianeuze rechtshandeling is die bij brief van 15 augustus 2025 door Hoff q.q. buitengerechtelijk is vernietigd,
veroordeelt [gedaagde] om aan Hoff q.q. te betalen een bedrag van € 51.275,--, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 50.000,--, met ingang van 18 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Hoff q.q. te betalen de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.670,66,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.957,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de onder 6.2., 6.3. en 6.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.