RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11961530 \ CV EXPL 25-2004
Vonnis van 29 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar Zweeds recht,
HOIST FINANCE AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
eisende partij, hierna te noemen: Hoist,
gemachtigde: mr. B.E. Revelman de Vries,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
BJK BEDRIJFSWAGENS B.V.,
gevestigd te Goor,
gedaagde partij, hierna te noemen: BJK,
gemachtigde: mr. D.P. Kant.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 juli 2026;
- de akte uitlaten na tussenvonnis van Hoist, gedateerd 30 juli 2026;
- de antwoordakte van BJK, gedateerd 1 september 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
De kantonrechter verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 7 juli 2026. De kantonrechter heeft daarin overwogen dat (nog) niet is gebleken dat sprake is van een rechtsgeldige cessie tussen IDM en Hoist, omdat niet werd voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Hoist heeft de gelegenheid gekregen om te bewijzen dat de vordering van IDM (via Hoist Portfolio) op Hoist is overgegaan via een rechtsgeldige cessie.
Hoist heeft – om te bewijzen dat de vordering van IDM is overgegaan op Hoist – stukken overgelegd en het volgende aangevoerd. De vordering van IDM op BJK is ontstaan uit de driepartijen-huurkoopovereenkomsten met de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2]. In de cessielijst van 9 oktober 2013 – behorend bij de akte van cessie van
30 oktober 2013 – zijn de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] opgenomen. Hiermee is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste en is de vordering van IDM dus overgegaan op Hoist Portfolio.
Dat de vordering vervolgens van Hoist Portfolio op Hoist is overgegaan, blijkt volgens Hoist uit de cessie-akte van 1 mei 2018 tussen Hoist Portfolio (verkoper) en Hoist (koper) en de daarbij behorende cessielijst met overgedragen vorderingen. In deze cessielijst zijn de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] opnieuw opgenomen.
Volgens BJK heeft Hoist niet bewezen dat de vordering van IDM via een rechtsgeldige cessie aan Hoist is overgedragen. BJK voert kort samengevat aan dat Hoist delen van lijsten heeft overgelegd waar de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] op voorkomen, maar hieruit blijkt niet dat die lijsten behoren bij de akten van cessie van
30 oktober 2013 en 1 mei 2018.
De kantonrechter moet beoordelen of Hoist heeft bewezen dat de vordering van IDM (via Hoist Portfolio) op Hoist is overgegaan via een rechtsgeldige cessie. Voor een rechtsgeldige cessie is (onder andere) een geldige titel nodig (artikel 3:84 BW) en bij deze titel moet met voldoende bepaaldheid zijn omschreven om welke vorderingen het gaat (artikel 3:84 lid 2 BW). Aan dit bepaaldheidsvereiste is voldaan als de akte zodanige gegevens bevat dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld op welke vorderingen de verkoop ziet.
Cessie van 30 oktober 2013 (IDM – Hoist Portfolio)
Hoist heeft door het overleggen van enkele pagina’s – volgens Hoist pagina’s die onderdeel zijn van de cessielijst van 9 oktober 2013 – willen voldoen aan haar bewijsopdracht dat voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste. De overgelegde pagina’s bevatten een opsomming van een aantal contractnummers, waaronder de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2]. Bovenaan deze pagina’s staat ‘Uittreksel uit Project NPL – Represented Amounts – Schedule 10 – Version 9 october 2013’. BJK betwist dat uit deze stukken blijkt dat de vorderingen zijn gecedeerd. Mede gelet op deze betwisting, kan de kantonrechter zonder nadere toelichting – die ontbreekt –niet vaststellen dat de overgelegde pagina’s onderdeel zijn van de cessielijst van 9 oktober 2013.
Daarnaast is evenmin voldoende aannemelijk geworden dat de cessielijst van 9 oktober 2013 onderdeel is van de cessie-akte van 30 oktober 2013. In de cessie-akte wordt wel gesproken over ‘the portfolio purchase agreement dated 9 October 2013’, maar dat een cessielijst onderdeel is van de ‘portfolio purchase agreement’, kan niet uit (het overgelegde deel van) de cessie-akte van 30 oktober 2013 of anderszins worden afgeleid. Er kan dus niet worden vastgesteld dat de overgelegde pagina’s onderdeel zijn van de cessie-akte van
30 oktober 2013. Kort gezegd kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de door Hoist overgelegde (delen van) documenten bij elkaar horen, zodat daaruit de cessie kan worden afgeleid.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat Hoist niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. Nu niet kan worden vastgesteld dat de vordering van IDM op BJK onderdeel was van de cessie tussen IDM en Hoist Portfolio, is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Bij deze stand van zaken is niet gebleken van een rechtsgeldige titel, waardoor evenmin kan komen vast te staan dat de vordering van IDM op Hoist Portfolio is overgegaan.
Cessie van 1 mei 2018 (Hoist Portfolio – Hoist)
Doordat niet is komen vast te staan of de vordering van IDM rechtsgeldig aan Hoist Portfolio is overgedragen, kan niet worden geconcludeerd dat Hoist Portfolio bevoegd was om de vordering over te dragen aan Hoist. De kantonrechter zal daarom aangaande de cessie van 1 mei 2018 niet nogmaals bespreken dat niet is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste.
Zonder de cessies, heeft Hoist geen vordering op BJK. De kantonrechter moet de vordering van Hoist op BJK daarom afwijzen.
Proceskosten
Hoist is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van BJK betalen. De proceskosten van BJK worden begroot op 2,5 salarispunten (2,5 maal € 815,00 ofwel € 2.037,50) en de nakosten van € 144,00.
3 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen van Hoist af;
veroordeelt Hoist in de proceskosten van € 2.181,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Hoist niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Hoist ook de kosten van betekening betalen;
verklaart de veroordeling onder 3.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.